Field Music - MeasureDe beste naam voor een band ooit was The Beatles. Hoe goed hebben zij ervoor gekozen om het Engelse meervoud van ‘kevers’ zo onopvallend te verbasteren dat daarin hun muziekstijl – uit hun vroege periode – de beatmuziek of merseybeat, zou terugkeren. Merseybeat maakten ze niet meer tijdens hun muzikale hoogtepunten, en de band is natuurlijk veel bekender geworden dan de stroming zelf. Vandaar dat er nu nog altijd bandjes komen en gaan met hun muzikale ‘roots’ in de late sixties, vrolijke maar intelligtente popdeuntjes. Sommige bandjes vallen op, andere raken weer in de vergetelheid. Field Music is een band waarbij de invloed van The Beatles en andere popbandjes uit die tijd niet te ontkennen valt, maar waarbij het niet duidelijk is of we dit weer moeten vergeten of blijven beluisteren.


Field Music – Them That Do Nothing

Measure, alweer het vierde studioalbum van de band, opent mysterieus met In the Mirror. Een typisch openingsnummer zou je zeggen, wat experimentele geluidjes om je op te warmen en dan met het tweede nummer binnen te knallen en de spanning vast te houden tot op het einde. Dat zijn twee dingen waar Field Music helaas niet in slaagt; heet eerste nummer is gelijk een van de beste. Dat wil niet zeggen dat er op Measure alleen maar matige popliedjes staan die aan The Beatles doen denken. Nee, er staan zeker enkele indiepoppareltjes op zoals het titelnummer en Them That Do Nothing. Eigenlijk heeft dit album twee problemen: hij duurt te lang en er staan te veel liedjes op.

Da’s natuurlijk een grapje maar berust wel op de waarheid. Hij is misschien net iets te lang, 1 uur en 10 minuten – de gemiddelde lengte van een popalbum ligt net iets lager – dat is waar. Maar dat zou misschien niet zo erg zijn geweest als niet elk liedje klonk als dat van een totaal andere band. De band mist een eigen geluid en probeert dat te vervangen door een overvloed aan ideeën. En sommige bands kunnen misschien prima uit allerlei verschillende stijlen een eigen geluid krijgen, maar toch alle kanten op springen – Field Music lukt het niet. Opgewekte, half up-tempo liedjes zoals de eerdergenoemde hoogtepunten wisselen af met saaie experimenten, waarvan de opener een van de zeldzame positieve voorbeelden is. En over lengte gesproken: het 10-minuten durende afsluitingsnummer It’s About Time raakt werkelijk kant nog wal en zonder dat nummer zou de CD, die dan nog altijd 19 liedjes zou tellen, al een stuk beter zijn.


Field Music – Measure (maandagmiddag in de radio-uitzending)

Die afsluiter is eigenlijk het dieptepunt van de dalende lijn van dit album; het begin, zeker de drie nummer na In the Mirror, is lichtelijk geniaal te noemen en bevat popdeuntjes zoals die horen te zijn. Them That Do Nothing is een nummer dat helemaal in de stijl van The Beatles ligt, zowel qua compositie als qua zang. Beide doen nog het meest denken aan When I’m Sixty-Four. Het derde nummer Each Time Is a New Time zet die lijn voort maar met een iets gitaar-georiënteerder geluid, nog altijd klinkend als een moderne variant op de sixties. Een welkome aanvulling op de ritme-sectie en de op-een-lichte-manier-gebruikte gitaartjes zijn de violen uit titelnummer Measure, wat mij betreft het hoogtepunt van de plaat. Nog altijd met dezelfde invloeden, hoewel ook Steve Reich en Wilco in mijn hoofd de hoek om komen, voornamelijk door de vioolklank in het liedje.

Ook daarna krijgen we nog wat fijne ’00-’60s pop voorgeschoteld in Effortlessly, dit keer met een nog grotere rol voor de gitaren, maar vanaf Clear Water begint het album in te zakken. Dat is inderdaad al na zes nummers, twintig minuten muziek van Field Music. Er komen nog wel wat liedjes langs die je even doen opveren en de muzikale invloeden worden soms net iets verlegd, maar nergens horen we meer echt goede popliedjes als de eerste zes. Dat komt onder andere door het gebrek aan een echte sound van de band; niet dat de muziek nou direct zoals bij Yeasayer alle kanten op vliegt, maar echt een eenheidsgevoel heeft het album ook niet. Maar het tweede probleem, en dat is misschien nog groter, is dat de band blijft zweven tussen die leuke popmelodieën van het begin en een wat rustiger geluid dat bij deze band eigenlijk meteen saai wordt. Een geluid dat doet denken aan Paul McCartneys hobbyprojectje The Fireman waarvan het album Electric Arguments aan precies hetzelfde manco leed: een tweedeling tussen popmuziek en een elektronischer ‘lounge’-geluid. Meer dan ‘aardig’ kan er dus niet vanaf.