Jonsi - GoJón Þór Birgisson, artiestennaam Jónsi, is bekend van de IJslandse post-rockband Sigur Rós maar nu solo gegaan en heeft een prachtig debuutalbum (Riceboy Sleeps van Jónsi & Alex niet meegerekend) uitgebracht, Go. De zanger waarvan de stem niet langer uit zijn keel lijkt te komen maar uit het topje van zijn hoofd maakt in zijn eentje niet langer sferische, langgerekte en ijskoude post-rock zoals die van Sigur Rós maar laat een heel andere kant van zichzelf zien met popliedjes die weliswaar niet direct warm klinken (ze voelen aan als een vanille-ijsje op een warme zomermiddag) maar wel vrolijk, lichtelijk gestoord en rijkelijk georchestreerd.

Toen het album werd aangekondigd was ik niet direct happig; meestal zijn solo-projecten niet zo goed als de bands waaruit de muzikant afkomstig is. En die Jónsi is toch ook wel een gekke jongen. Maar al snel – toen de eerste nummers Go Do, Boy Lilikoi en het onuitspreekbare Kolniður verschenen – bleek dat Go misschien toch wel een heel mooie plaat zou worden. Nu is het mij wel duidelijk: het is een van de beste albums van dit jaar (in elk geval tot nu toe).


Jónsi – Go Do

Dat er een opgewekt album vol levensvreugde uit IJsland zou komen, waar het toch voornamelijk koud is en de zon en warmte weinig van zich laten zien, had ik niet verwacht, maar Jónsi bewijst het. Elk van zijn liedje kan daarvoor als voorbeeld dienen maar het beste semi-titelnummer Go Do. Daarin vallen al meteen een paar Jónsi-elementen te herkennen: de ontzagwekkend hoge stem van de man, de lichtvoetigheid van de muziek en het barokke arrangement, in de stijl van Arcade Fire. De vrolijkheid van de muziek is aanstekelijk. Het zijn weliswaar geen meezingliedjes die op deze plaat staan maar ze nodigen je wel uit om het album te draaien en nog eens te draaien en te blijven draaien, omdat je er zo ontzettend vrolijk van wordt. Geen enkel liedje doet qua toonzetting ook maar denken aan Sigur Rós (hoewel ik heb begrepen dat die op hun latere albums, die ik niet ken, ook voor een wat poppiër richting hebben gekozen), geen enkel liedje straalt die sfeer van weemoed uit, nee, elk liedje spat van de levenslust en blijdschap. Wat, zoals ik al zei, niet betekent dat elk nummer een up-tempo meezinger is. In tegendeel, ook rustige liedjes als Tornado en Kolniður zijn pareltjes.


Jónsi – Kolniður

Natuurlijk wel een overeenkomst met Jónsi’s voormalige (?) band is die stem. Misschien is zij het wel die het koude karakter heeft gegeven aan Sigur Rós en ook van Jónsi’s sololiedjes ‘koude’ popliedjes weet te maken. Een vervreemdend effect is dat, de rijke en bijna bombastische orchestratie met zo’n hoge stem eroverheen, maar wel mooi. Die tegenstelling is iets dat de muziek spannend maakt, iets dat je haast dwingt om verder en meer te luisteren, bij de eerste luisterbeurt je mond doet openvallen van verbazing en daarna nog altijd een glimlach van herkenning geeft. Daarbij komt dat die stem ook nog gewoon heel mooi is, alle noten zuiver en melodieën die voor kippenvel zorgen. Jónsi weet zijn stem op zo’n manier te gebruiken dat het meer als een inheems instrument klinkt dan als een manier om teksten te vertellen. Dat komt ook omdat Jónsi zijn Engels niet zo goed is, in sommige nummers haast onverstaanbaar en bijna niet te onderscheiden van het IJslands in bijvoorbeeld Kolniður en Hengilás of  ‘hopelandic’, de taal waarvan hij zich bij Sigur Rós regelmatig heeft bediend.


Jónsi – Boy Lilikoi (maandagmiddag in de uitzending!)

En dat is alleen nog maar de stem. Want ook de muziek is mooi. Veel uitbundiger dan we van Sigur Rós gewend zijn, barok aandoend in de stijl van bands als Arcade Fire en Fanfarlo, maar ook Sufjan Stevens is nooit ver weg. Het enige verschil met die bands is dat de instrumenten bij Jónsi allemaal opgaan in een groot geheel, samen met de stem, en nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. De melodieën zijn geen deuntjes die je kan meezingen en naderhand in je hoofd blijven hangen, maar vluchtige tonen die op een bepaalde natuurlijke manier aanwezig zijn maar waarvan er nooit een op de voorgrond treedt. Weer zo’n ding dat de muziek van Jónsi apart maakt en je daardoor dwingt om te bijven luisteren. Datzelfde eenheidsfenomeen zorgt ervoor dat, hoeveel verschillende instrumenten Jónsi ook door elkaar gebruikt, de muziek nooit bombastisch of zelfs maar druk wordt. Er zijn wel up-tempo liedjes, waarvan Animal Arithmetic, dat precies klinkt als de titel doet voorspellen, nog wel het uitbundigste is. Maar er straalt een bepaalde rust uit de muziek zodat die klinkt alsof ze er altijd al geweest is en hoort te zijn.

Nu zou ik graag nog willen typen: ‘Maar er is helaas wel een minpunt aan Go van Jónsi’, maar ‘helaas’ bevat dit album geen enkel minpunt. Nergens word ik zenuwachtig van Jónsi’s hoge stem, op een negatieve manier weggeblazen door een te chaotische orchestratie of depressief gemaakt door ijskoude klanken. Nee, dat allemaal niet. Wel word ik beroerd door prachtige ijspop, aangenaam verrast door arrangement en zang en uitsluitend vrolijk gemaakt door tot nu toe het mooiste album van 2010. Een reden om uit te kijken naar de live-shows van Jónsi, waarvan ik er, samen met Abel zoals altijd, één ga bezoeken in poptempel Paradiso. Dat zal niet zomer een concert worden als elk ander, misschien met een net iets beter lichtshow of overgave, maar een spektakel, volgens Pitchfork zelfs ‘seriously epic’.  Jónsi heeft namelijk een theaterproductie bedrijf, 59 productions, ingehuurd om er iets speciaals van te maken. Hieronder alvast een kort filmpje als opwarmer en dan maar hopen dat Jónsi de verwachtingen waar kan maken en zijn live-prestaties het album zullen overtreffen.