Beautiful Freaks

alternative music pirate radio / reviews

Concert

Airborne Toxic Event @ Paradiso

Het is begrijpelijk dat The Airborne Toxic Event in hun thuisplaats Los Angeles al voor volle zalen speelt, terwijl ze het op het vasteland van Europa moeten doen met een optreden in de kleine zaal van Paradiso die nog niet eens helemaal gevuld is. De band is namelijke Amerikaans in alles wat ze doen; hun muziek heeft het bekende grote gebaar – denk Springsteen – en de podiumpresentatie is uitermate gestilleerd. Zelfs toen de fotografen na de eerste drie nummers hun camera al weg hadden moeten doen bleven de bandleden poseren en acteren. Dat is gelijk een indicatie voor de muzikale kwaliteiten van de groep: veel vorm, weinig inhoud.

Voor de minst creatieve recensenten of diegenen met een erg klein referentiekader deed The Airborne Toxic Event aan slimme name-dropping. Het nummer ‘Strange Girl’ is een ode aan The Cure, de groep die Mikel Jollett in zijn jeugd voor het eerst liet kennismaken met muziek die ‘fucked-up and smart’ tegelijkertijd was. Van de liedjes die hij deze avond speelde kan alleen maar het eerste gezegd worden. Ja, ‘Strange Girl’ begon met een ’80s-aandoend intro’tje, maar veranderde daarna in een onsubtiel rocknummer. The Airborne Toxic Event probeert nummers te maken met een soort urgentiegevoel, maar dit doen ze zo overdreven – het blijven Amerikanen – dat we de schreeuwende Jollett moeilijk kunnen geloven. Nee, ze zouden willen dat we aan The Cure moeten denken bij het luisteren van hun muziek.

Nou was hun debuutalbum ook al matig, maar het kende zeker zijn momenten en ‘Sometime Around Midnight’ is zelfs een uitzonderlijk goed nummer dat zich zo mag scharen tussen het betere werk van Arcade Fire. Maar ook dat nummer kreeg live een uitvoering die niet serieus te nemen was. Aan de ene kant overschreeuwde de band zichzelf zo hard dat er weinig meer van het nummer overbleef, aan de andere kant waren sommige poses en blikken van de bandleden zo lachwekkend dat het liedje iets meligs meekreeg. Een sneu geheel.

Hol pathos met heel veel bombasme en gemaakte urgentie; in Amerika lopen ze er warm voor. Mij laat het koud.

Suede @ Paradiso

Bij elke reünie-tour, of het nou een eenmalig optreden van een jaren ’70-legende is of een eindeloos durende tour langs alle sportpaleizen en festivals die ze in hun eigen tijd nooit vol zouden krijgen, begin je je onbewust of te vragen of de band het voor het geld doet. Bij Suede, die dit jaar na zeven jaar weer bij elkaar zijn gekomen, is het niet anders. Zou het eerst nog bij een eenmalig concert in Londen blijven, inmiddels heeft de Britse band het grootste deel van hun ‘eenmalige’ reünie-tour er alweer opzitten en ligt hun best-of alweer een tijdje in de schappen.

1993 – London. Suede, toen nog zonder platencontract, staat op de cover van het Britse tijdschrift Melody Maker, gekopt als ‘Suede: The Best New Band in Britain’. Nog datzelfde jaar luidde de groep met hun debuutalbum, voorzien van een controversiële cover, het tijdperk in van wat later britpop genoemd zou worden. Datzelfde jaar won Suede de Mercury Music Prize, onder andere PJ Harvey en New Order achter zich latend. De som van 25.000 pond die aan deze prijs was gekoppeld schonk de band aan een instituut voor onderzoek naar kanker. Zeventien jaar later zouden ze in Londen eenmalig bij elkaar komen om een optreden te geven als onderdeel van de 2010 Teenager Cancer Trust-show.

Als in 1994 de Britse popmuziek een hoogtepunt bereikt met het debuutalbum van Oasis, Parklife van Blur en Pulp’s His ‘N’ Hers - welke alledrie werden genomineerd voor dezelfde prijs die Suede het jaar daarvoor won, maar haar geen van allen kregen – is Suede alweer met heel andere dingen bezig. Frontman Brett Anderson verafschuwt de stroming waarvan de pers zegt dat hij haar heeft uitgevonden en heeft er een hekel aan om britpop genoemd te worden en maakt  om die redenen Dog Man Star, volgens hem een album dat precies het tegenovergestelde is van britpop. Anderson: “You could not find a less Britpop record. It’s tortured, epic, extremely sexual and personal. None of those things apply to Britpop.”

Tijdens en na Dog Man Star, minder succesvol dan het debuutalbum maar door de pers goed ontvangen en inmiddels bekend als Suede’s meesterwerk, maken spanningen bijna een einde aan de band. Er ontstaat een strijd tussen Anderson en leadgitarist Bernard Butler, die uitmondt in het vertrek van die laatste met de aan Anderson gerichte woorden ‘you’re a fucking cunt!’ Na Butler’s vertrek kwam nog Coming Up uit, een ‘klassiek’ popalbum, tien nummers die lekker wegluisteren, maar minder spannend dan de twee voorgangers. Daarna modderde Suede aan met twee mindere albums tot hun split in 2003.

Suede @ Paradiso

Terug naar Paradiso. De laatste keer dat Suede daar speelde was in 2002 en de fansite ‘The Essential Suede’ beschrijft het concert met de volgende woorden: ‘The gig was great, but the crowd was lame. Brett had to try hard to excite his audience.’ Deze keer was een saai publiek wel het laatste waar Suede last van had. De zaal bestond voornamelijk uit dertigers en veertigers die de band nog kennen uit hun jeugd. Al vanaf het eerste nummer, een rockende uitvoering van ‘This Hollywood Life’, was het voltallige publiek razend enthousiast wat gedurende het optreden aanzwol tot pure euforie.

En niet voor niks. Suede deed er alles aan om een sterke show neer te zetten voor het publiek van Paradiso, met een setlist die bestond uit stuk voor stuk sterke nummers en een aantal grotere hits die zonder uitzondering de hoogtepunten van het optreden vormden. Songs als ‘Animal Nitrate’ en ‘We Are the Pigs’ of de setafsluiter ‘Saturday Night’ lieten de mensen in de zaal springen en schreeuwen.

Maar er was niemand in het publiek die zoveel sprong als Brett Anderson. Weliswaar niet zo oud als een Paul McCartney of Neil Young, maar ook voor zijn respectabele leeftijd van 43 jaar was hij nog behoorlijk levendig. Net als in de videoclip van ‘Animal Nitrate’ speelt Anderson met zijn sexualiteit door af en toe subtiel zijn armen de lucht in te gooien en daardoor een stukje van zijn onderbuik te laten zien. Als geen ander weet de flamboyante Anderson hoe hij het publiek moet bespelen, precies het midden houdend tussen de arrogantie van de broertjes Gallagher en de vrolijke praatjes van Chris Martin. Maar als we één naam moeten noemen waardoor Anderson het meest geïnspireerd lijkt te zijn is dat David Bowie, van zijn stem tot enkele gelaatstrekken tot een bepaald soort uitstraling – het was immers Bowie die al in de jaren ’70 zijn androgyniteit liet zien.

Ook muzikaal gezien was alles in orde. De hele band was op dreef en Anderson was goed bij stem. Aan hun strakke spel was te horen dat Suede inmiddels een geroutineerde band is die hun eigen geluid kent en weet wat het publiek van ze verwacht.

Andersons stem had misschien iets duidelijker naar voren mogen komen wat pas gebeurde tijdens de toegift, waarin hij zonder band een akoestische versie van ‘The Living Dead’ speelde. Om vervolgens de set af te sluiten met het magistrale ‘Saturday Night’ als eindvuurwerk. En daarmee sloot Suede een legendarisch concert af, na zeven jaar nog altijd even goed in vorm. Het plezier spatte er vanaf en als Suede het alleen om het geld doet, dan heb ik daar niks van gemerkt. Nee, van mij mogen ze gerust nog een keer terugkomen.

Bijna 100.000 mensen in het Wembley Stadium, Londen, zingen uit volle borst anarchistische leuzen, hun vuisten in de lucht geheven. ‘They will not control us‘, roept het publiek, en even later vraagt het zich af: ‘must we do as we’re told?’ Wat was er op die dag, niet geheel toevallig de 11e van september, 9/11 in de volksmond, gaande in een van de grootste voetbalstadions van Europa? Een demonstratie tegen Geert Wilders’ toespraak in New York later die dag? Een uit de hand gelopen voetbalwedstrijd? Nee, het was het laatste concert van de Resistance-tour van Muse.

Muse @ Wembley Stadium 2010Foto door surreydweller..jackie onder een Creative Commons-licentie

Ho! Beautiful Freaks is een Nederlands weblog en hoogstens tijdens het festivalseizoen willen zijn verslaggevers nog wel eens de landsgrenzen oversteken. Een stadionconcert in London is van een heel andere orde. Hoe zijn Beautiful Freaks’ vaste concertverslaggevers Abel en Caspar hierin verzeild geraakt?

De beslissing om Muse in Londen op te zoeken was al vorig jaar gemaakt, vlak na hun optreden in Ahoy dat wij als trouwe fans – als Beautiful Freaks niet ‘Beautiful Freaks’ zou hebben geheten noemden wij het vast ‘Plug in Baby’ of ‘Stockholm Syndrome’ – hebben bijgewoond. Overdonderd door dat concert kochten we zo snel mogelijk tickets voor het Wembley-concert en een hele tijd lang hielden we ons met andere dingen bezig, zoals het oprichten van Beautiful Freaks. Geheel in Abel-Casparstijl begonnen we pas een maand geleden eens met het plannen van onze trip naar Londen, maar uiteindelijk kwam alles goed en na een middagje door Londen lopen stonden we die avond tussen de Muse-massa.

Voordat ik over ga tot het beschrijven van Muse’ concert moet eerst onze frustratie over de support act Biffy Clyro er even uit. Uw verslaggevers hebben nog nooit zo een slechte band gezien of gehoord! Dit is werkelijk het label ‘muziek’ niet waardig. De herrie die ook nog in de hal te horen was zette ons aan tot het oproepen tot massale verbrandingen van hun CD’s, maar hier zal ik dat niet doen – we willen niet met de heer Wilders vergeleken worden. Meer dan een wel erg slappe versie van Foo Fighters kon ik er niet in ontdekken.

Hoe anders was Muse. Van de drie concerten die we van ze hebben gezien – naast Wembley ook nog Ahoy en Rock Werchter – was dit overduidelijk de beste. Allerlei factoren droegen hier aan bij: de sfeer en locatie, alle visuele spectakels en de setlist.

Muse @ Wembley Stadium 2010Want voor de mensen die niet dichtbij genoeg stonden om Matthew Bellamy’s zweetdruppeltjes te zien had Muse gelukkig iets geregeld, zoals we van Muse mogen verwachten. Het podium was dit keer driehoekig van vorm en daarboven zweefde een groot oog – zien wij hier een conspiracy? Iets met illuminati? Op de zijkanten van de piramide waren op strategische wijze schermen geplaatst, die helaas veel te klein waren en bovendien niet goed zichtbaar van voren. Gelukkig werden er ook op de rest van het podium projecties getoond. Deze waren interessant om te zien maar niet boeiend genoeg om hele liedjes naar te gaan kijken. Toch zorgden ze, in combinatie met de typische Muse-lichtshow, voor een mooi totaalplaatje.

Hé, gaan we het niet over de muziek hebben? Is Muse vandaag de dag zo inhoudsloos dat alleen de lichtshow nog boeit? Een pakketje zonder inhoud? Zeker niet! Om uit te drukken hoe goed een Muse-concert is hebben we onze goede vriend en Beautiful Freaks-adviseur ‘Alternative’ Alexander gevraagd. Het Wembley-concert was de eerste keer dat hij Muse zag en wij legden hem de simpele vraag ‘wat vond je ervan?’ voor:

‘Ja…’ Alexander zwijgt zeker drie minuten voordat hij stamelend de volgende worden eruit krijgt: ‘I am speechless.’ Nadat Beautiful Freaks’ interviewer ter plaatse de jongen een stukje op weg helpt weet Alexander wat meer woorden naar buiten te krijgen. ‘Het was geweldig. Ze speelden alle goede nummers. Ik had gehoopt dat ze Bliss zouden spelen, maar niet verwacht dat we behalve dat nummer ook nog Citizen Erased zouden krijgen. Ik heb gesprongen totdat m’n benen niet meer konden en tegelijkertijd had ik kippenvel. Op m’n wangen! Ik heb nog nooit kippenvel gehad op mijn wangen. Het wordt moeilijk om nog een concert te vinden dat dit zal overtreffen.’

Interessant is Alexanders opmerking over de setlist. Als zelfbenoemde ‘setlist-analisten’ hadden Abel en ik de mogelijkheden al enigszins verkend maar een setlist als deze hadden we niet verwacht. En Bliss én Citizen Erased werden gespeeld, en daarbij ook nog eens Ruled by Secrecy, een nummer dat volgens mij deze hele tour nog niet is gespeeld. Het publiek reageerde dan ook verward, maar met het rustige begin en de bombastische pianoakkoorden was het een van de hoogtepunten van het concert. Van de hitjes bleef alleen New Born achterwege. De mindere nummers Neutron Star Collision en I Belong to You bleven achterwege, terwijl het beste nummer van de nieuwe CD, MK Ultra, gelukkig wel gespeeld werd. Wat wel jammer is, is dat Muse gewoon een paar onmiskenbaar mindere nummers heeft. Guiding Light en in mindere mate de Feeling Good-cover laten het concert inkakken en ook Undisclosed Desires is een nummer dat vergeleken met de rest een beetje matig uitkomt. Opvallend is dat de meeste ‘slechte’ nummers van Muse toch van hun laatste album komen.

Muse @ Wembley Stadium 2010Dus we kunnen stellen dat dit concert van Muse geen enkel minpunt had en waarschijnlijk het beste concert van het jaar is? Nee, dat denk ik niet. Er was namelijk één flink minpunt dat een groot deel van de concertbelevenis verpestte en dat was de slechte geluidskwaliteit. Ik weet niet of het aan een de geluidsman van die avond lag of dat het door de locatie kwam – voetbalstadions staan nu niet meteen bekend om hun goede akoestiek – maar wel dat de drum ‘n’ bass veel te overheersend was en melodieën daardoor te weinig uitkwamen. Bellamy’s stem verzoop soms in het totaalgeluid en ook de gitaarlijnen zaten veel te ver op de achtergrond. De meeste gespeelde liedjes hadden hieronder te leiden en Bliss was zelfs een van de minste nummers door dit mankement. Maar misschien is deze sound waarbij de nadruk ligt op bas en drum de nieuwe koers die Muse uit wil zetten – een die mij niet helemaal bevalt.

Desondanks was het concert de reis naar Groot-Brittannië helemaal waard en van de drie concerten die ik nu heb gezien van de band het beste. Wel ben ik bang dat het ook een van de laatste goede concerten van Muse zal zijn; aan het nieuwste songmateriaal is al te merken dat de band bergafwaarts gaat. Voorlopig kan ik nog genieten van de ongemeende anarchopop van de band, maar de knieval voor de commercie is inmiddels gemaakt en nu de band ook nog een MTV Video Music Award heeft gewonnen dit weekend zal het niet lang meer duren voordat de mainstream de band degradeert tot één van minder allooi.

Rock Werchter? Check. Lowlands? Alleen op televisie, maar wel Haldern Pop als alternatief. Pinkpop? Zijn we ook geweest. U dacht dat het festivalseizoen tegen september wel weer afgelopen zou zijn, Beautiful Freaks eindelijk weer eens albums ging reviewen en de radio-uitzendingen ook eens op regelmatige basis zonder technische rompslomp zouden doorgaan? Mooi niet. Want vlak op het randje van de zomer, het eerste weekend van september, is op Vlieland het Into the Great Wide Open-festival. De ‘Beautiful Freaks’ waren er natuurlijk bij en delen hun bevindingen.

Into the Great Wide open werd dit jaar voor de tweede keer gehouden op het eiland Vlieland. Vorig jaar zorgde het noodweer voor weggewaaide tenten en mensen die meer water dan vlees waren (hmmm… Dat is eigenlijk ook zo als het niet heeft geregend). Dit jaar waren de weergoden ons gunstiger gezind en werden we getrakteerd op stralende zon en een strakblauwe hemel. Dat gecombineerd met de prachtige natuur van Vlieland en het lieflijke karakter van het dorp zorgde voor een mooi weekend. Maar nog belangrijker was de muziek.

Helaas zorgden de gebruikelijke Beautiful Freaks-problemen voor wat oponthoud. We misten de laatste boot op vrijdagavond en daardoor konden we ook liedjessmid The Tallest Man on Earth niet zien. Terwijl dat juist een van de artiesten was waar we ons het meest op verheugden, zeker omdat we al wisten dat zijn optredens goed zijn – zijn optreden op Haldern Pop bewijst dat.

Wat hebben we dan wel gezien? Voornamelijk Nederlandse en Belgische bands, variërend van folk tot soul tot ‘gewoon’ rock. I Am Oak verraste overtuigde ons met sterke folksongs, terwijl Balthazar hun reputatie als ‘de Belgische Arctic Monkeys’ live volledig waarmaakte. Isbells leverde voor de vierde keer een oerdegelijke set en Yoshimi zorgde voor een spontane lachbui. Helaas waren er ook wat mindere optredens: Modest Mouse viel flink tegen en de set van Moss was een beetje rommelig. Het nieuwe project van Spinvis, Dorleac, met de zangeres van Hooverphonic, viel ook tegen en Tim Knol vinden wij een beetje een hype die het niet waarmaakt.

Maar laten we bij het begin beginnen. Op de vrijdag was er niet meer veel te zien toen wij eenmaal waren aangekomen op het eiland en onze spullen hadden geïnstalleerd – geen tent voor ons dit keer, maar slapen op echte bedden in slaapboerderij De Vliehorst – onze fotopassen hadden opgehaald en op het terrein konden rondlopen. Zaterdag daarentegen kwamen wij al vroeg ons bed uit om te kijken wat die popbingo zou inhouden. Een soort quiz en Abel en ik hoopten dat we ook wel een kans zouden maken met onze kennis, maar we moesten constateren dat de vragen toch teveel gericht waren op mensen van een vorige generatie. Hoe moeten wíj nou al die hitjes uit de jaren ’80 kennen?

De band die gelijktijdig in De Bolder, een klein zaaltje, speelden, was ook niet zo goed. Nevada Drive manoeuvreerde een beetje tussen folk, rock en wereld maar in geen enkele van die genres maakten ze echt goede liedjes en de podiumperformance maakte niet veel goed, dus de uitgang was snel gevonden. Al snel vonden we onze weg naar het hoofdpodium waar een opmerkelijk klein groepje mensen zich had verzameld voor Hauschka, een man die liedjes speelt op een zogenaamde prepared piano (wikipedia). Bij zo’n piano zijn er verschillende objecten, zoals gummetjes en spijkers, tussen de snaren van het instrument geplaatst, wat een karakteristiek geluid oplevert. Dat geluid was ook bij Hauschka terug te vinden, maar helaas ontbrak de kwaliteit in zijn composities. De muziek klonk een beetje onaf – alsof de pianist eigenlijk onderdeel was van een veel grotere band, maar nu alleen de pianopartijen werden gespeeld. Met een zanger van het kaliber Jónsi of een violist die een beetje kan rocken zou dit een stuk beter zijn. Iedereen die meer muziek wil horen met een geprepareerde piano in de hoofdrol raad ik de composities van John Cage aan, die zijn een stuk interessanter.

Het volgende optreden vond plaats in de achtertuin van een café in het dorp Oost-Vlieland. En wie anders zou er onder de bomen moeten spelen dan de Utrechtste folkband I Am Oak. Een groep waarover we al wel veel gehoord hadden maar zelf nog nooit nader bekeken, en die op Vlieland positief verraste. De liedjes waren verstild, intens en hadden goede melodieën. In de afsluiter lieten ze zien dat ze ook wel kunnen rocken. Hier gaan we meer van horen (ook op Beautiful Freaks – verwacht deze week een review van hun nieuwste album).

Op het hoofdpodium maakte Balthazar alweer hun opwachting. De band is typisch Belgisch: ze hebben een internationaal geluid. Vettige bassen en een goede zanger zorgen voor dansbare rocknummers die door het publiek goed ontvangen worden. De Arctic Monkeys schemeren door en natuurlijk een flinke dosis dEUS, de Belgische oerband van de 21ste eeuw. Het was live ook zeker overtuigender dan op CD. De liedjes werden nog net wat strakker gespeeld en de verveeldheid die ik af en toe op het album waarnam verdween live onder een dosis enthousiasme en rocksterrenattitude van de bandleden.

Moss bracht dan weer een veelbelovend album uit maar kon de verwachtingen niet waarmaken. De zo subtiele popmuziek met meerstemmige zang klonk live wat rommelig. Liedjes gingen eigenlijk totaal langs ons heen door deze uitvoering. Daarnaast wist Moss niet echt een duidelijk geluid neer te zetten waardoor de luisteraar constant in twijfel werd gebracht: is dit nou popmuziek, lekkere rock of toch rustige folk? Maar ik hoorde dat de meerderheid enthousiast was, dus hopelijk willen alle fanatieke Moss-fans dit bericht niet onderspammen als ik zeg dat het aan ons heeft moeten liggen.

Van Jungle by Night, die nu al stiekem de nieuwe Kyteman worden genoemd – groepen waren nog nooit zo snel ‘uit’ – kan Beautiful Freaks alleen zeggen dat het getalenteerde muzikanten zijn die nog veel moeten oefenen en er zeker komen. Het publiek kregen ze al op hun hand, nu nog de critici!

Waar ik heel erg benieuwd naar was, was het nieuwe project van Erik de Jong, die beter bekend staat als Spinvis. Samen met de zangeres van Belgische band Hooverphonic – in het triphop hoekje van Portishead – maakt hij muziek onder de naam Dorleac en een samenwerking tussen creatief genie Spinvis en zangeres Geike Arnaert – haar stem klinkt alsof je ondergedompeld wordt in ijskoud water – moest tenslotte wel goed zijn. Het tegendeel bleek waar te zijn. Dat de spitsvondige teksten van Spinvis ontbraken was al een tegenvaller, maar ook ‘s mans geluiden zijn vaak interessant. Bij Dorleac was dat niet het geval. De meeste nummers schurkten tegen de dance aan, iets wat niet bij dit duo past. Misschien is het een kwestie van wennen: het album is nog niet uit maar zal van mij zeker een paar kritische luisterbeurten krijgen, en wie weet wordt het nog wat. Voorlopig is het geheel minder dan de som der delen.

De zaterdag leverde dus een nieuwe naam op, de bevestiging van een aanstormend talent en twijfel bij twee andere nieuwe acts. Naast een aantal slechte acts die op elk festival onvermijdelijk zijn. Al met al een geslaagde festivaldag en een mooie kennismaking met Vlieland en Into the Great Wide Open.

Na het aangename ontwaken op zondag en een stevig ontbijt op slaapboerderij De Vliehorst gingen wij weer op weg naar het festivalterrein a.k.a. het sportveld. Over een uur of zeven zouden we alweer in de boot naar Amsterdam zitten, maar voor het zover was moesten we nog een hoop leuke bandjes bekijken. Bijvoorbeeld Isbells, de welbekende folkband met de bijnamen ‘de Belgische Bon Iver’ en ‘de kaalste band van België’. Het was een prettig weerzien met de Belgen, die we nu al vier keer hebben gezien. Ze speelden op alle vlakken een sterke set en hoewel een magisch moment ontbrak bleven alle liedjes ook op het hoofdpodium overeind staan. En als je als band na vier keer je publiek nog niet weet te vervelen, dan doe je het niet slecht.

Iemand die het wel slecht deed was Yoshimi. Een drietal dat melige melodieën verwerkte met textuele onzin. In het begin klonk het nog als een soort Spinvis-variant, maar al na het eerste nummer was de band niet echt meer serieus te nemen. Zeker het grappigste optreden van Into the Great WIde Open, maar of het nou goed was?

In elk geval niet zo goed als Selah Sue. Zo klein als haar gestalte is, zo groot is haar stem. Met een mix van reggae, soul en rock won ze zo het publiek voor zich. Zelf stelde ik dat Selah Sue dat de liedjes van de dame zo goed waren omdat ze niet van die vrolijke, zorgeloze ‘Don’t Worry Be Happy’-reggae waren, maar dankzij de invloeden van de soul en rock aan diepgang wonnen. Bijna elk nummer van de set was een hoogtepunt.  We kunnen niet anders dan zeggen dat dit het beste optreden van de zondag was.

Intussen was voor de kerk van Vlieland een lange rij ontstaan. Meters van mensen wachtten op El Pino & the Volunteers, een folkband uit Nederland. Perskaarten zorgen ervoor dat je niet in de rij hoeft te staan en zo konden uw verslaggevers erbij zijn. Wat we zagen was een degelijk concert. De liedjes van El Pino & the Volunteers, die normaal wat vrolijker zijn, pasten zich wonderbaarlijk goed aan aan de kerk en zo kregen alle songs iets magisch, vaak net iets grootser gespeeld. Mooi moment toen het Bolderkoor meezong. Toch waren uw verslaggevers maar matig enthousiast, puur vanwege matige liedjes die niet overtuigden.

De laatste band die wij konden zien was Modest Mouse. Een van de weinige bands op het festival die niet uit de lage landen komt. Wat we konden verwachten van onze festivalafsluiter wisten we niet precies: het nummer Float On was ons referentiekader dus wij dachten dat Modest Mouse lo-fi indiepop zou spelen. Helaas was dat niet het geval. Een soort indie-hardrock kregen wij voor onze kiezen en dat vonden we niet leuk. Jammer dus, maar zo veel hadden we er nou ook niet van verwacht. Not my cup of tea.

En zo bracht Vlieland ons met Into the Great Wide Open enkele nieuwe namen, de bevestiging van een paar bandjes en een flink aantal tegenvallers. Het festival zelf was prachtig en als de muziek ons even niet aanstond konden we ons prima vermaken met een wandeling door het bos of een uitje naar het strand. Hopelijk zijn we volgend jaar weer van de partij – en is het weer dan net zo mooi.

Fotoverslag vanmiddag!

De Broken Bells, wie waren het ook alweer? Brian Burton, bekend als Danger Mouse en producer van Gorillaz, Gnarls Barkley en Beck, in samenwerking met The Shins-zanger James Mercer. In maart durfde ik al te stellen dat hun debuut dé zomerplaat van 2010 zou worden en hoewel het lang niet de enige plaat was die ons deze zomer heeft vermaakt was het wel eentje die het goed heeft gedaan. Vooral single The High Road is nog altijd prachtig. En na een hele zomer wachten konden we ze gisteren eindelijk live aan het werk zien, in de Melkweg. Toen we eenmaal de zaal in waren liet de band ons nog een dik halfuur wachten en dat verhoogde de verwachtingen.

Bij de opkomst van de muzikanten werd al duidelijk dat dit concert anders zou zijn dan de plaat: in plaats van de twee leden van Broken Bells betraden maar liefst zeven muzikanten het podium. Danger Mouse deed dan ook niet veel knoppenwerk – hij bediende het drumstel. Als behang was er nog een projectie die bestond uit kleurrijke beelden die vaak deden denken aan de lavalampen van weleer, en af en toe iets concreter werden, zoals bijvoorbeeld het lampion-achtige voorwerp op de hoes van Broken Bells, bewegend en pulserend. Maar echt interessant waren deze beelden niet en als de band er niet zo ongelofelijk saai bij stond had ik ze niet eens opgemerkt.

Want dat was wel het grootste probleem gisteravond: de band bracht totaal niks over! Zwaarmoedigheid hadden we natuurlijk niet verwacht van de Broken Bells, maar ik heb ook geen greintje enthousiasme gezien. Dat James Mercer nauwelijks met het publiek sprak droeg daar aan bij, maar ook spreekvaardigheid is geen must voor een goede uitstraling. Gewoon lekker relaxed luisteren dan, met een glaasje cola erbij? Ook niet, want zelfs daarvoor was de podiumuitstraling van de band te saai. Als je naar een concert gaat wil je nog net dat beetje extra dat een CD niet kan bieden. En als die extra zowel ontbreekt in de performance als op muzikaal vlak, is er weinig meer dat het concert interessant maakt.

Want muzikaal was het helemaal niet slecht. Net zoals op plaat fijne luisterliedjes die zowel de indiepop van The Shins in zich hebben als die typische Danger Mouse-touch. Dat laatste ontbrak live wel een beetje. Dat Burton’s productie voor het album erg belangrijk was wisten we al, maar blijkbaar kon die productie niet benaderd worden door vijf live-muzikanten. Net die extra geluiden die het genie had toegevoegd op de plaat leken live te ontbreken. Met als resultaat dat de liedjes net wat middelmatiger klonken.

Nee, ik heb thuis op het balkon het album nog eens gedraaid, met een glaasje fris terwijl boven mij een gigantisch vuurwerk losbarstte – in het kader van SAIL – en veel verschilde dat niet van het Broken Bells-concert. Dikke tegenvaller dus!

Haldern is een dorp vlakbij de Duits-Nederlandse grens. Groter dan Werchter of Landgraaf, andere festivaldorpen, met naast de bekende kerk – in Haldern een mooie gothische met achterin prachtig glas-in-lood, uw verslasggever heeft er een kaarsje brandend achtergelaten – een grote supermarkt, wat bakkers, een pizzeria waar ook het ijs goed smaakt en, niet te vergeten, een plaatselijke kroeg. Ook wel bekend als de Haldern Pop Bar. In de achtertuin van deze bar heeft Wolfgang Linneweber van het Haldern Pop-festival de persleden, herkenbaar aan het gouden keycord om hun nek met een kaartje met de tekst presse eraan vast, bij elkaar geroepen voor een persconferentie. Een zonnige zaterdago chtend. Wolfgang, binnen Haldern bekend als ‘Linne’, vertelt over het festival, de filosofie erachter en de toekomst ervan, maar tijdens het traditionele vragenvuurtje na zo’n toespraak blijkt de Duitse pers vooral geïnteresseerd te zijn in de misstanden rondom de Spiegelzelt op donderdag, en dan vooral de veel te lange schlange. De discussie tussen de journalisten die daaruit oplaait eindigt helaas onbeslist, omdat de Groningse band The Black Atlantic in de bar een optreden gaan geven. Goed, maar iets te druk om echt wat van mee te krijgen, zeker als je maag rammelt.

Nee, voor uw verslaggevers begint de laatste dag van Haldern Pop 2010 pas in de late middag, met Fanfarlo. Het Zweeds/Britse vijftal maakt een combinatie van indiefolk, baroque-pop en post-punk. De muziek is vrolijk en past dus goed bij de onverwachts hete nazomerzon die die dag scheen. Het grootste probleem van Fanfarlo is dat de band geen echte hit heeft: een nummer waarop je als luisteraar eigenlijk het hele optreden wacht en dat, als het tegen het einde van de set gespeeld wordt, een golf van euforie door het publiek heen laat gaan, ontbreekt.

Hoewel zowel de mainstage als de Spiegelzelt elkaar goed afwisselen qua geprogrammeerde bands, weet geen enkele muziekgroep ons echt te boeien. Frightened Rabbit klinkt vanuit de perstent als een cliché indierock-bandje met een folk inslag, waarvan de leden ongetwijfeld baarden hebben. Blood Red Shoes, een jongen-meisje duo à la The White Stripes bestaande uit Steven Ansell op drums en Laura-Mary Carter op gitaar, is geen typische Beautiful Freaks muziek en op een enkele meescheeuwer na weet de garagepunk van de twee ons niet enthousiast te maken. De Ierse Villagers hadden we dan wel erg naar uitgekeken, mede dankzij hun nominatie voor de Mercury Music Prize, maar helaas hebben we de band moeten missen.

Iets leuks hoorden we pas weer in de avond, namelijk Pitchfork-bandje Bear in Heaven in de tent. Vanwege de hitte daarbinnen bleven wij buiten voor het scherm zitten om te kijken, maar ook daar bleef het optreden overeind. De muziek van deze hippe jongens uit – het zou eens niet – Brooklyn, New York, laat zich moeilijk beschrijven. Experimenteel, dat zeker. Duistere indierock met veel achtergrondgalm wordt gecombineerd met krautrock-achtige electronica, overgoten met psychedelica en daarvan maakt de band dan popmuziek. Ongetwijfeld een leuke verrassing.

De artiesten die Haldern Pop dit jaar afsloten waren alledrie van hoog niveau en achter elkaar een ware killer-combi. Die begon met The Tallest Man on Earth – nee, hij is níet heel lang – om een uur of 10. Alleen gewapend met een gitaar en zijn stem, die klinkt als Bob Dylan die The Beatles’ Twist and Shout heeft gezongen, speelt de Zweedse Kristian Matsson intens mooie liedjes. Love Is All is zijn variant van een liefdesliedje – ronduit duister, met de meer dan memorabele regel ‘Love is all, from what I’ve heard, but my heart’s learned to kill / Oh, mine has learned to kill‘. Zelfs van het stemmen van zijn gitaar maakt Matsson wat moois, en het is dan ook een grote programmeerfout om The Tallest Man on Earth slechts een halfuur te laten spelen – hij vond het zelf ook jammer.

Na dit veel te korte halfuur van verstillende en bij vlagen dromerige muziek schudden de woozy sounds van Yeasayer – ja, ook zij komen uit Brooklyn – het publiek weer even lekker wakker. Wat ons vooral verbaasde was hoe anders de liedjes van Yeasayer per optreden klinken. Dit is nu de vierde keer dat we de groep live aan het werk zien – een stuk beter geplaats op het hoofdpodium in plaats van in de tent, zoals op Rock Werchter – en een liedje is geen twee keer hetzelfde. Maar altijd even dansbaar en natuurlijk die typische Yeasayer-sound. Voorlopig blijven ze nog niet vervelen.

En dan, na lang maar aangenaam wachten, de headliner van het Duitse Haldern Pop: The National. In Tivoli, Utrecht hadden we al kunnen aanschouwen hoe hun muziek live aan intensiteit wint en regelmatig overweldigend groots kan klinken, sacraal haast. Met gevouwen handen spuugt Matt Berninger de zinnen soms ziedend uit. Uit elk nummer spreekt een bepaalde mate van importantie. Zeker in een plechtig nummer als England is dat goed te horen. Helaas had The National aan het begin van hun set last van geluidsproblemen die pas over de helft werden verholpen. Dapper om toch door te spelen, als je weet dat elk lied gewoon slecht klinkt en op die manier ongelofelijk aan kracht inboet, en het was aandoenlijk om te zien hoe vervelend Berninger het vond. Toen de problemen eenmaal over waren hervatte de band zich gelukkig en liet zien wat ze echt in huis hebben. England was al genoemd, ook Fake Empire en natuurlijk Terrible Love bliezen ons omver. Al met al zonde van de eerste helft, maar wat we in de tweede helft hebben gehoord bewijst wel dat The National een ijzersterk concert kan neerzetten. Een waardige festivalafsluiter. O ja, driemaal raden waar The National vandaan komt…

Eindoordeel: Haldern Pop is een klein, gezellig festival met een paar voordelen ten opzichte van grotere festivals, zoals het veel goedkopere eten, de schone WC’s – porseleinen potten nota bene! – en draadloos internet op grote delen van het terrein. Helaas waren er ook een paar dingen slecht geregeld: de chaos rondom de Spiegelzelt donderdag was al genoemd, ook wat betreft de perstent waren er enkele misverstanden en er was misschien iets te veel controle.

De line-up was heel erg goed en ondanks enkele tegenvallers hebben we dagelijks genoten van goede optredens. Wel jammer dat de verdeling van de bands zo ongebalanceerd was: dat de donderdag niet zulke grote namen had vanwege het ontbreken van een mainstage kan ik nog inkomen, maar ook de balans tussen de vrijdag en zaterdag was niet helemaal goed.

Kortom: een leuk festival op een goede locatie met zeker zaterdag prachtig weer en een line-up die niet doet vermoeden dat er maar 5000 kaartjes verkocht worden. Terecht uitverkocht en de logistieke oneffenheden nemen we maar voor lief. Voor alle liefhebbers van indiemuziek een aanrader!

Was de Haldernse Spiegelzelt donderdag nog te klein voor de 5000 man die op het kleinschalige festival vlakbij de Duits-Nederlandse grens zijn afgekomen en waarvan er meer Nederlands te lijken spreken dan Duits, gisteren kreeg het terrein een flinke uitbreiding: ook het gebied rondom de main stage werd geopend, waar die dag ook een aantal bands speelden. In de perstent laaide al de discussie op of de festivaldonderdag wel nuttig was, of dat de main stage die dag ook al open zou moeten zijn, maar hoger geplaatste mensen binnen het festival beslechtten de discussie met een argumentum ad antiquitatem – zo gaat het al een aantal jaar goed, waarom zouden we het veranderen?

Enfin, vrijdag was de tent helemaal niet zo vol toen de Britse folkzangeres Laura Marling met haar band een paar zeer mooie liedjes liet horen. Haar tweede album I Speak Because I Can is helaas langs ons heen gegaan, maar afgaande op dit live-optreden zou ik haar plaatsen tussen Freak-folk / New Weird America-zangeressen als Joanna Newsom en Alela Diane, maar dan een stuk lieflijker. De muzikale begeleiding was bij vlagen bombastisch maar het was toch echt om de  betoverende stem te doen. De liedjes waarbij ze zichzelf alleen op gitaar begeleidde waren dan ook het mooist, maar het hele optreden was van begin tot einde boeiend.

Ons boeien, iets wat de laatste twee nummers van nieuwe soulsensatie Rox duidelijk niet konden. Hier hebben we verder niks over te zeggen, flauwe discosoul-meestampers die weinig meer te maken maken hebben met de groten van vroeger.

Het tafelvoetballen in de perstent – uw favoriete team Beautiful Freaks speelde uit en verloor – was te spannend om te kijken of Delphic nou die middelmatige indiegitaarrock-nerds waren of een hardcorehouseband met ronduit slechte elektro-stampers. In het voorbijgaan bleek het laatste het geval te zijn, Typisch gevalletje ‘niet ons ding’. Ook Post War Years, de groep in de circustent waar we naar of weg waren, bleek eerder saai dan spannend.

De eerste goede mainstage-act van de dag, Mumford & Sons, maakte de belofte gelukkig wel waar. Een van de acts waarvoor we zijn afgedaald naar Haldern, in het genre epic folk, folkmuziek met een groots gebaar. Dat is ook precies wat Marcus Mumford en zijn band in korte tijd zo populair heeft gemaakt: de grens met de rock wordt opgezocht en de band weet het zelfs voor elkaar te krijgen om folk dansbaar te maken. Gokje: volgend jaar op de mainstage van Werchter?
Toch kon de band uw verslaggevers ter plaatse maar ten dele overtuigen: weliswaar zijn vrijwel alle liedjes pakkend en de singles – The Cave als fantastische opener en Little Lion Man mid-set – daadwerkelijke hoogtepunten, maar uiteindelijk gebruiken ze toch steeds hetzelfde trucje. Dat wordt vooral duidelijk als er  ook een paar nieuwe nummers worden gespeeld – die hadden zo op Sigh No More kunnen staan.

Maar toch, met zo’n goede show zou je haast vergeten dat de echte headliner van de Haldern-vrijdag niet Mumford & Sons, maar het Nieuw-Mexicaanse balkancollectief Beirut is, onder leiding van Zach Condon. Mijn verwachtingen lagen nog altijd in de lijn van het dieptreurige en melancholische muziek van hun debuut Gulag Orkestar, dat me nog het meeste deed denken aan Gulaschsuppe in de Oost-Europese winter, met een scheutje wodka natuurlijk. Maar wat Condon en consorten op het podium neerzetten was meer geschikt voor een dronkelappenpolonaise. Het publiek hielp daar ook bij mee. Het was heus niet slecht, maar totaal niet wat we van de band verwacht of gehoopt hadden.

Vandaag, zaterdag dus, belooft verreweg de beste dag te worden van Haldern Pop 2010, met The Tallest Man on Earth, Yeasayer en The National als festivalafsluiter. Daarvan morgen een verslag. En entschuldigung voor het ontbreken van beeldmateriaal: de fotocamera ligt helaas nog in het hoofdkantoor in Amsterdam.

Uw favoriete festivalverslaggevers Abel en Caspar zijn dit weekend aanwezig op het Duitse indiefestival Haldern Pop. Het festival kan beschouwd worden als het Duitse en veel kleinere broertje van Lowlands, met een capaciteit van circa 5000 bezoekers. Maar de line-up zou dat niet doen vermoeden. Met headlining acts als Mumford & Sons, Beirut en festivalafsluiter The National belooft Haldern Pop heel wat goeds voor liefhebbers van alternatieve muziek.

De eerste dag van het kleine festival nabij de Duits-Nederlandse grens is meer een voorbereiding dan een volwaardige festivaldag; het terrein rondom de main stage blijft die dag gesloten, waardoor alle bands in de veel kleinere Spiegelzelt spelen, met een tientallen meters lange wachtrij tot gevolg. Desalniettemin traden er die dag enkele mooie namen op, met later op de avond Beach House en Cymbals Eat Guitars achter elkaar – een ware ode aan de shoegaze.

Maar eerst David Ford, die het festival mocht openen. Zijn bijtende en rauwe liedjes overtuigden het publiek met gemak. De muziek zelf liep uiteen van tentvullende gitaarmuren en echozang tot minieme pianobegeleiding van Ford zelf. Zijn poging om Duits te praten was weliswaar erbarmelijk, maar dat gaf hij zelf ook ruimhartig toe – ‘Main Doitsj iest sjreklich’. Helaas paste de grote uithalen van Ford niet altijd bij de muzikale begeleiding en verviel hij dan ook regelmatig tot hol pathos.

Door een domme fout van de festivalorganisatie – het tijdschema op de website was niet goed geupdate – wisten wij niet dat het IJslandse Seabear een heel stuk hoger op de affiche was komen te staan, waardoor Cymbals Eat Guitars een uur eerder begon. Die hebben we dus gemist, maar voor de betoverende geluiden van Beach House kwamen we de tent nog wel binnen.

Muziek om je ogen bij te sluiten, noemde ik het al, en dat was in de Spiegelzelt van Haldern niet minder het geval. Veel werk van hun nieuwste album Teen Dream werd gespeeld, waarbij de ijle zang van Victoria LeGrand live een volume krijgt gelijk aan dat van Florence Welsh. Jammer genoeg kwam de band niet zo goed tot hun recht in de circustent van Haldern als in de Amsterdamse tempel waar wij ze eerder zagen.

Het Duitse festival – volgens het principe ‘wie het kleine niet eert, is het grote niet weert’ – heeft nog een derde plek voor optredens, namelijk de Haldern Pop Bar verderop in het dorp. Hier trad donderdagavond de Belgische band Isbells op, de Bon Iver van de lage landen. In plaats van op te treden in de snikhete dorpskroeg, waar ook nog de elektriciteit uitviel en de apparatuur niet wilde meewerken, besloten zij op het pleintje voor de bar te spelen. Akoestisch dus, met een kring van mensen eromheen. Had Isbells in mei nog problemen met Paradiso’s luidruchtige publiek, nu kregen ze het voor elkaar om rond de 150 man doodstil te krijgen – wat natuurlijk veel moeilijker is dan je luisteraars uit hun dak te laten gaan. Tot nu toe het bijzonderste en indrukwekkendste Haldern-optreden, van de kaalste band van Belgie.

Daarna geen zin meer hebbend om nog te kijken naar wat ons nog onbekende bands in de spiegeltent gingen proberen, zijn we de tent ingedoken. Vandaag onder andere Mumford & Sons, en daarnaast kunnen we vandaag eindelijk gebruikmaken van de genotten van de perstent. Hoewel er ook wifi-dekking voor ‘gewone’ bezoekers is op het hele terrein.