Beautiful Freaks

alternative music pirate radio / reviews

Muziek

Bill Callahan - ApocalypseDe Apocalyps, het Einde der Tijden. We zien het voor ons met woest brandende vuren die alles op hun pad verslinden, medogenloos hoge tsunami’s en allesverwoestende aardbevingen, vreselijke nucleaire oorlogen en radioactief oplichtende hemels, mooi en dodelijk. De apocalyps is voor ons een grootse gebeurtenis van bijbels formaat. Op Bill Callahan’s nieuwe album Apocalypse horen we niets van dit alles. Apocalypse beeldt geen verzengde bosbrand uit, maar hoogstens een kale vlakte.

Met ‘Drover’ begint Apocalypse al meteen zo leeg als maar kan. Bill Callahan kondigt met zijn tenorstem de eenzaamheid aan: ‘The real people went away’. Callahan klinkt met zijn diepe, warme stem troostend, maar ook hopeloos verloren, kaalgeslagen, op momenten haast emotieloos. ‘Oh I am a helpless man, so help me,’ zingt hij in het mysterieuze ‘Baby’s Breath’. Het klinkt niet wanhopig, het klinkt verwachtingsloos en zelfs een tikje sarcastisch. Gedurende het hele album blijft Callahan dichtbij, alsof hij de luisteraar hun dood in begeleidt of slachtoffers van een ramp begeleidt. Met cryptische teksten vertelt hij zijn verhaal zoals ook Leonard Cohen en Nick Cave dat kunnen, en enkel ‘America!’ heeft een wat duidelijkere boodschap, maar wederom gebracht vol troosteloos cynisme.

Bill Callahan zingt dof en helder tegelijkertijd, zijn muzikale begeleiding is minstens net zo kaal. Weliswaar bouwt opener ‘Drover’ fijn op met violen en zelfs apocalyptische drums en zit in ‘America!’ een bijna panische elektrische gitaar, maar dat zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. Op geen enkel moment maakt dit de muziek saai of monotoon, want ondanks het ontbreken van grootse orchestraties of catchy melodieën kent Apocalypse genoeg emotie. Het is juist de puurheid die de muziek haar intensiteit meegeeft.

Over de gehele linie is Apocalypse sober, ingehouden als een oude man die het leven niets meer waard acht, een doorleefde man die teert op zijn herinneringen. In ‘Riding for the Feeling’ zingt Callahan over zijn afscheid: ‘What if I had stood there at the end / And said again and again and again and again and again / An answer to every question / Riding for the feeling?’ Zelfspottend daaraan toevoegend: ‘Would that have been a suitable goodbye?’

Nee, Apocalypse gaat niet over de Dag des Oordeels. Evenmin bezingt Callahan de troosteloze aanblik die de lege wereld van daarna aanbiedt. Apocalypse gaat over een heel ander einde, namelijk dat van Callahan zelf. De apocalyps waarover Bill Callahan zingt is niet van iedereen. Het is zijn eigen einde der tijden. ‘Yeah it’s all coming back to me now / My apocalypse, my apocalypse’.

tUnE-yArDs - W h o k i l l‘Apart’ is de term die bij uitstek het meest geschikt is om W h o k i l l van tUnE-yArDs te beschrijven. Het is een term die het exotische en ongehoorde geluid van de band beschrijft, het mengelmoesje van geluiden en invloeden. Het is een term die zegt ‘moet je hier een naar luisteren, wat apárt’. Het is wat we zeggen over muziek waarvan we denken dat we het goed moeten vinden vanwege de vermeende originaliteit ervan, maar die we eigenlijk niet om aan te horen vinden. Het zijn de tUnE-yArDs.

Met ‘My Country’ begint W h o k i l l nog veelbelovend. De inmiddels gekende eclectische mix van allerlei genres die willekeurig bij elkaar te zijn geraapt en die we ook al kennen uit Brooklyn en omgeving komt bij Tune-Yards in ruime mate terug. Voor W h o k i l l zijn in elk geval R&B, freak-folk, jazz en electronica – natuurlijk alles met een Afrikaans tintje – in de trechter gegooid. In sommige gevallen komen daar Animal Collective-achtige psychedelische stukjes muziek uit, maar veel vaker primitief geschreeuw van de toch al niet zo indrukwekkende stem van Merrill Garbus met dito muziek.

Er zijn eigenlijk drie dingen die me irriteren aan de muziek op Who Kill. Het eerste daarvan is dus de zangkwaliteit van Garbus of eigenlijk het ontbreken daarvan. Garbus zet constant een hoog, nasaal stemmetje op waarbij hij het nog presteert om daarmee op een aanstellerige manier te schreeuwen. Tweede punt is de vervelende manier waarop tUnE-yArDs mij nerveus maakt. Het is niet de subtiele, onderhuidse spanning die de zenuwachtige muziek van een Talking Heads weet op te wekken, maar oprechte irritatie die ik normaal alleen voel bij een lekkende kraan of een steeds maar doortikkende metronoom. Dit zou echter allemaal nog overkomelijk kunnen zijn, als Garbus een beetje verstand had van het schrijven van liedjes. Wat op Who Kill staat kunnen helaas geen liedjes genoemd worden, eerder een onsamenhangende combinatie van geluiden.

De scheidslijn tussen interessant en interessantdoenerij is onduidelijk en grillig. De betekenisvolle stiltes van James Blake vonden we op zijn minst interessant, terwijl Radiohead’s The King of Limbs de grens zwaar overschreed en wat ons betreft slechts geneuzel was. Voor sommige bands kan het werken om duizend-en-één stijlen bij elkaar te gooien en dat te verkappen in springerige liedjes. Voor hetzelfde geld komen ze over als vervelende liedjes die misschien wel bol staan van ideeën maar waarbij ondertussen het daadwerkelijke liedje naar de achtergrond is verdreven. De één vindt het wellicht een typografische vondst om in de bandnaam tUnE-yArDs kleine letters af te wisselen met capitalen en elke letter in de albumtitel W h o k i l l te laten volgen daar een spatie. Ik vind het k I n D e R a C h T i G.

Six Organs of Admittance - Asleep on the FloodplainToen Six Organs of Admittance, het muzikale pseudoniem van Ben Chasny, eind jaren ’90 met zijn eerste muzikale output kwam werd de band nog simpelweg gecategoriseerd als één van de vele freak-folk-bandjes die toen als paddestoelen uit de grond doken, zij aan zij met Joanna Newsom en Devendra Banhart. In de loop der jaren is Six Organs of Admittance echt zijn eigen weg gegaan en met een combinatie aan akoestische psychedelica, hypnotiserende drones en elektronische gitaaruitbarstingen. Het elfde album van Chasny – alle nevenprojecten en samenwerkingen niet meegerekend – Asleep on the Floodplain getiteld, is slechts de zoveelste bevestiging van de absolute eigenheid van zijn muziek.

In het begin van Six Organs of Admittance leek elk album zijn eigen karakter te hebben. Dark Noontide was duister en sober, van de ambulance-alarm-drones in ‘Regeneration’ tot de door wijlen Jack Rose geïnspireerde gitaar in ‘Khidr and the Fountain’. Op Compathia en For Octavio Paz kreeg de zachte stem van Chasny de nadruk, terwijl de daaropvolgende albums juist wat meer gericht waren op het gitaargeweld. Vanaf pakweg de laatste drie albums heeft het geluid van de Six Organs zich gestabiliseerd en ook Asleep on the Floodplain lijkt eerder een samenvatting van Chasny’s eerdere verdiensten dan een nieuw pad op de grillige wegen van Six Organs of Admittance.

Zo liggen de composities van Asleed on the Floodplain het dichtste van wat Chasny in 2004 deed op For Octavio Paz; grotendeels akoestische, aan de oppervlakte borrelende muziekstukken waar Chasny’s duistere en tegelijkertijd zuivere stem in vergelijking met voorgaand werk meer aanwezig is, maar toch nooit de hoofdrol op zich neemt. De muziek van Six Organs of Admittance lijkt vaak verdacht rustig te zijn, zoals in het voortkabbelende ‘River of my Youth’, maar daaronder liggen timide en soms zelfs dreigende gitaarlijnen verscholen. De rust is slechts misleiding, want onder het donkere water zwemt een monster. Een enkele keer komt het tot een daadwerkelijke uitbarsting, zoals op dit album het nummer ‘S/Word and Leviathan’. Minutenlang bouwt Chasny de spanning op met steeds herhalend gerommel en beetje bij beetje vallen er steeds meer geluiden in. Een mistroostige accordeon, klinkend als een wanhopige misthoorn, de zalvende woorden van Ben Chasny die zijn eigen ondergang aankondigen en dan de zware gitaar die in slow-motion uitbeeld hoe de bemanning van Chasny’s schip op de meest vreselijke manier door het zeemonster wordt opgevreten.

Vernieuwend is het al lang niet meer, wat Chasny uitbrengt als Six Organs of Admittance. Maar net als het vorige album Luminous Nights is ook Asleep on the Floodplain van een ongekende schoonheid. Eigenlijk heeft Six Organs nooit echt deel uitgemaakt van de zogenaamde freak-folk-scene; al meer dan tien jaar is hij een totaal op zichzelf staande entiteit. Een die niet meer weet te verrassen, maar wel constante kwaliteit levert.

TV on the Radio - Nine Types of LightDear Science van TV on the Radio was de ideale soundtrack bij de kredietcrisis die de wereld enkele jaren geleden ondervond. Het album was in alle opzichten eigentijds apocalyptisch en wist zo de Zeitgeist van het doemjaar 2008 te vangen. De titel verwijst letterlijk naar een open brief aan de wetenschap en in ‘DLZ’ sneert Tunde Adebimpe de atomen-slopende professoren toe: ‘Congratulations on the mess you made of things; / On trying to reconstruct the air and all that brings.’ Cynische felicitaties, en om dat nog eens duidelijk te maken verklaart hij de wetenschap definitief dood wanneer hij woedend zingt: ‘Never you mind / Death professor!’

Hun vierde album Nine Types of Light opent radicaal anders dan het claustrofobische ‘DLZ’. ‘Second Song’ begint met de diepe stem van Tunde Adebimpe en een lome, bijna onhoorbare basloop, maar tegen het einde komt een stoet blazers de hoek omkijken en verandert de song in een funky feel-good-liedje. Als Dear Science de muzikale vertolking van de het einde der tijden was, is hun vierde album Nine Types of Light juist de feniks die weer oprijst uit zijn eigen as. De verandering is deels te verklaren doordat de band van Brooklyn verhuisd is naar het veel zonnigere Los Angeles. Vanuit de thuisstudio daar van Dave Sitek, het brein achter de groep, is Nine Types of Light opgenomen en in elk liedje horen we het optimisme van een band die na een lange en vermoeiende toer weer vol moed bij elkaar is gekomen. Een andere omgeving was blijkbaar wat TV on the Radio nodig had om het creatieve proces weer op gang te laten komen.

‘I like love songs. There’s nothing particularly interesting going on with me in my life to bear this work. I like the forms of love songs, the poetry,’ schrijft Kyp Malone over het schrijven van de liedjes op Nine Types of Light. Maar de liefdesliedjes op het album zijn verraderlijk. Zo horen we Kunde in ‘You’ de regels You’re the only one I have ever loved’ zingen en onbewust weet je dat deze zin eerder sarcastisch dan daaderkelijk liefdevol is. Het zijn zinnen die je zegt, ook al weet je dat je ze niet meent. Kunde toont de gevaarlijke blindheid van liefde aan.  Het rustgevende, Aziatisch-aandoende ‘Killer Crane’ daarentegen is liefdespoëzie in de meest pure vorm zonder enige vorm van spot. Kunde beschrijft op die manier twee kanten van de liefde; het mooie gevoel van verliefdheid en, aan de andere zijde van de medaille, het verraderlijke ervan.

Op muzikaal vlak krijgen we op Nine Types of Light wat we gewend zijn van TV on the Radio, namelijk een mix van electronica, funk, indie-rock, dubstep en hip-hop. Net als de teksten is ook de muzikale invulling van het nieuwe album opgewekter, positiever en lichter dan Dear Science. Het claustrofobische en nerveuze geluid, aangesterkt door Kunde’s falsettostem, heeft de band nog niet helemaal van zich afgeschud, maar de muziek wordt er niet meer door gedomineerd en daardoor krijgen de liedjes op Nine Types meer ademruimte. Waar Dear Science in elk nummer een andere kant op stuiterde en daardoor even vaak een vermoeiende als plezierige zit was, gaat bij Nine Types het ene nummer rustig over in het andere en zijn de experimenten goed bij te houden.

Nine Types of Light sluit af met ‘Caffeinated Consciousness’, een door de jaren ’80-hip-hop-scene geïnspireerde track die uiteindelijk toch nog laat zien hoe boos TV on the Radio nog is op de vreselijke wereld. Helaas is niet elk nummer op het album zo geslaagd als deze afsluiter. Vorige albums van de band waren misschien vermoeiend omdat ze gevuld waren met teveel losse gedachten, die overdaad aan ideeën lijkt op Nine Types een beetje te ontbreken met als gevolg een paar ronduit saaie nummers (‘No Future Shock’, ‘New Cannonball Run’, ‘Forgotten’). Dit is jammer, want TV on the Radio is al jaren een band met veel potentie. Helaas is ook dit album niet van begin tot einde perfect. Zolang de verderfelijke wereld nog niet is vergaan blijf ik wachten op hun echte meesterwerk.

you’re the only one I have ever lovedre

Low - C'monAl sinds 1993 gaat Low zijn eigen weg. Ooit begonnen als anti-beweging tegen de grunge, luide gitaarrock bestrijdend met zachte liedjes met minimale instrumentatie en zoete samenzang en vooral heel erg langzame liedjes is het geluid van Low uitgegroeid tot een op zichzelf staand genre (‘Slowcore’). Voor wie Low niet ‘begrijpt’ lijkt het alsof ze nu met C’mon voor de negende keer hetzelfde album hebben gemaakt, maar bij Low gaat het om de subtiliteiten. Het zijn de doodstille drumtikjes en nauwelijks aanwezige elektronica die bij de liedjes van Low het verschil maken, in plaats van groots aangezette melodielijnen of aanstekelijke gitaarriffs.

Desondanks is C’mon wellicht Low’s meest toegankelijke album tot nu toe. Zeker het begin van de plaat is uitgesprokener en explicieter dan Low’s eerdere werken. ‘Try To Sleep’ bijvoorbeeld is een lieflijke nummer dat de luisteraar met zoete samenzang en rinkelende gitaartjes het album binnenleidt en waarin Sparhawk (zanger/gitaar) zijn liefde voor The Byrds duidelijk kenbaar maakt. Dat C’mon niet zo ondoorgrondelijk klinkt als eerdere albums is voornamelijk te danken aan hun nieuwe co-producerer, Matt Beckley. Toen Sparhawk hem aannam, wist hij nog niet dat Beckley verantwoordelijk is voor de hits van onder andere Katy Perry en Avril Lavigne. Commerciëler is Low er gelukkig niet door gaan klinken; wel meer open dan voorheen. Het geeft de muziek meer zeggingskracht.

‘We like to work in situations where there’s a character, whether that’s the time period or who we’re working with. A lot of times, the space can set that tone,’ zegt Sparhawk over het opnameproces van C’mon. Het album is opgenomen in een kleine kerk in Duluth die met haar weergalmende muren en hoge plafonds de muziek sfeer heeft meegegeven. Zowel de holle drums als de zwevende orgeltjes klinken op C’mon alsof ze overal vandaan komen en het geheel wekt een atmosferisch geluid op. Kamervullend en klein op hetzelfde moment, zoals een gevallen speld door een hele kerk weerkaatst wordt. Net als in een kerk klinken de liedjes op C’mon soms fluisterend, zoals het kale liefdesliedje ‘$20′ – een titel waarmee de tekst ‘My love is for free’ opeens heel cynisch klinkt – maar op andere momenten weer groots en euforisch als een kerkkoor, met als hoogtepunt de sigurrósiaanse finale van ‘Majesty/Magic’ (‘ooooooh majesty’) met steeds zwaarder dreunende gitaren en op de achtergrond dreigende elektronica. Zonder daadwerkelijk een climax te bereiken.

Niet alle nummers op C’mon zijn even goed en zelfs voor een relatief kort album van tien tracks ligt de verveling al snel op de loer, waardoor een ‘Nightingale’ aanvoelt als overbodige herhalingsoefening. Het hoogtepunt krijgen we echter pas daarna te horen in de vorm van de pastorale ballade ‘Nothing But Heart’ die zowaar begint met distorted grunge-gitaren en de luisteraar uiteindelijk toch nog een climax gunt met een op-en-neer-stuiterende gitaarsolo. Het is jammer dat daarna nog de country van ‘Something’s Turning Over’ volgt, want ‘Nothing But Heart’ zou een prima afsluiter zijn geweest van Low’s meest toegankelijke maar ook meest dynamische album tot nu toe.

Intergalactic Lovers - Greetings and SalutationsHet gros aan Belgische kwaliteitsbands heeft twee typische kenmerken: 1. ze deden mee aan Humo’s Rock Rally en 2. ze klinken on-Belgisch internationaal. Die succesformule gaat ook op voor Intergalactic Lovers. Toen ze in 2008 onder de naam ‘Free Zamunda!’ meededen met de Rock Rally was er van dat grensoverschrijdende geluid nog niet zoveel te horen, maar inmiddels is de groep klaar om met hun debuutalbum Greetings and Salutations het polderige buurland te veroveren. Nederland is voor Intergalactic Lovers geen volstrekt vreemde grond onder de voeten; één van hun bandleden komt er vandaan. Nog internationaler is de Libanese afkomst van zangers Lara Chedraoui.

Zij is ook meteen de reden waarom Intergalactic Lovers uitstijgt boven legio andere Belgische indierock. Zij blaast de liedjes leven in met haar stem die soms warm en zoet is, dan weer venijnig en scherp. Lara’s stem is nu al te eigen om haar te vergelijken met Feist, Karen O of PJ Harvey. Maar ook al worden de songs stuk voor stuk gedragen door haar stemgeluid, de muziek mag er ook wezen. Intergalactic Lovers hebben er geen problemen mee om te manoeuvreren tussen onheilspellende rock (‘Shewolf’), popmuziek met een randje (‘Delay’) en aangenaam voortkabbelende ballads (‘Bruises’).

Dat het geluid van hun debuutalbum in één keer goed is zal ook te maken hebben met de mastering van Steve Rook in de befaamde Abbey Road Studio’s, die al eerder The Last Shadow Puppets, Wilco en Franz Ferdinand onder handen nam en recentelijk een Grammy Award won voor het opfrissen van de complete backcatalogue van The Beatles. Hij is voor een groot deel verantwoordelijk voor het strakke geluid van Intergalactic Lovers en weet zo de stem van Chedraoui nog beter tot haar recht te laten komen in een mix van elektrische en akoestische gitaren en strakke drums.

Met de singles ‘Delay’ en ‘Fade Away’, een aantal prijzen en bekroningen, professionele geluidsbehandeling en een uniek stemgeluid hebben Intergalactic Lovers alles in zich om niet alleen in België, maar ook in Nederland zalen uit te verkopen. Een CD als Greetings and Salutations is de reden dat ik jaloers ben op mijn Belgische collega’s, dus het wordt hoog tijd dat Intergalactic Lovers ook eens naar Nederland komen om te laten zien hoe het moet.

The Pains of Being Pure at Heart - BelongHet zwart-witte debuutalbum van The Pains of Being Pure at Heart werd geroemd vanwege zijn frisse indiepop met shoegaze-invloeden, een soort Belle & Sebastian-speelt-My Bloody Valentine. De schattige bandnaam die eerder een goedkope emo-band impliceerde namen we op de koop toe. Zoals bij zoveel verfrissende muziek is er na de goede ontvangst nog maar één vraag: hoe kunnen ze dit geluid zo goed mogelijk conserveren, uiteraard zonder zichzelf te herhalen? Het tweede album start verrassend; een lieflijk begin, en na precies twaalf seconden is die schattigheid verdwenen met een drumroffel en een stevige gitaarriff en begint Belong.

Vervolgens volgt één van de meest sterke openingstrio’s ooit gehoord. Na het stampende geluid van ‘Belong’ volgt de dromerige melodie van ‘Heavens Gonna Happen Now’ en als ‘Heart In Your Heartbreak’, het catchy centrum van Belong is afgelopen hoeven we niet meer bang te zijn dat The Pains of Being Pure at Heart ons teleur zullen stellen. Ja, de jongens en meisjes uit Brooklyn zijn volwassener geworden en dat is te horen. Hun liedjes klinken weloverdacht, maar zijn nog steeds gemaakt met diezelfde kinderlijke kwetsbaarheid. Kip Berman is nog steeds pure at heart.

Een van de knapste prestaties van The Pains of Being Pure of Being Heart op Belong, is hoe ze kunnen klinken als hun idolen, zonder ze daadwerkelijk na te doen. Dat Flood en Alan Moulder hun indrukwekkende producers waren heeft het er niet makkelijk op gemaakt. Onder andere The Smashing Pumpkins, The Jesus & Mary Chain, U2 en My Bloody Valentine zijn door hen onder handen genomen. De sterkte van The Pains of Being Pure is dat ze hun inspiratiebronnen niet omarmen, maar ze slechts met hun vingertoppen aanraken. The Pumpkins en U2 zijn in elk liedje dichtbij, maar net ver genoeg om het verschil te maken tussen een verwijzing en een overeenkomst.

Het grootste verschil met het eponieme debuutalbum is dat The Pains op Belong meer direct en onmiddelijk klinken. Kip Berman is niet meer bang om gehoord te worden en als hij nu een muur van gitaarlagen creëert is dat niet meer om zich achter te verschuilen, maar om zelfs door de doven gehoord te worden. Ook is de band niet meer bang om vrolijk te zijn, al is het soms met een bitter smaakje. ‘Even in Dreams’ heeft een euforisch refrein (‘Even in dreams I could not betray you’), maar even later zingt Berman ‘Yeah, there’s nobody like you / Is that why they don’t like you / like I do?’ Om vervolgens toch nog met een positeve noot af te sluiten: ‘And I do’. Elk stukje tekst is puur persoonlijk en gemaakt in het hier en nu. In ‘Heavens Gonna Happen Now’: ‘You can’t sit there and look scared / when everything’s happening now’. Tegelijkertijd maakt juist dat gevoel, dat het nú gebeurt, Belong zo’n tijdloos album.

Na het openingstrio ‘Belong’, ‘Heaven’s Gonna Happen Now’ en ‘Heart In Your Heartbreak’ komt nog de lompe disco-track ‘The Body’, het lieflijke (?) ‘Anne with an E’, ‘My Terrible Friend’ met daarin typische Cure-synthesisers en het vervreemdende ‘Strange’. In tegenstelling tot het debuutalbum is op Belong elk nummer een nieuw hoogtepunt. In zijn geheel vormt Belong een album met tien liedjes die gaan over de levens van een tiener in Brooklyn, maar een thematiek bevatten die veelomvattender is dan elk afzonderlijk verhaal. Op die manier heeft The Pains of Being Pure at Heart een album gemaakt met eeuwigheidswaarde, al is het maar voor even.

Broken Bells - Meyrin FieldsMuziek is het voedsel voor de geest. En net als een Black Angus of filet americain hebben ook veel muzikale ‘gerechten’ een houdbaarheidsdatum. Voor sommige albums gaat dat meer op dan voor andere. Voor het debuutalbum van Broken Bells, de inmiddels welbekende samenwerking tussen producer Danger Mouse en The-Shins-zanger James Mercer, in elk geval wel. Was hun single ‘The High Road’ vorig jaar nog één van de nummers die mijn zomer kenmerkten, nu zorgt het album voor steeds minder plezier. Zeker na hun teleurstellende concert in de melkweg.

Dat zou ook aan het steeds kouder wordende weer geweten kunnen worden, want nu het zonnetje weer begint door te breken blijkt Broken Bells gewoon een aardig samenwerkingsverband te zijn met één drie-minuten-meesterwerk. Iets meer dan een jaar nadat hun debuut werd uitgebracht worden ons nog eens vier nieuwe liedjes voorgeschoteld in de vorm van de Meyrin Fields EP. Geen versgebakken tracks, maar liedjes die nog op de planken lagen omdat ze destijds niet geschikt waren bevonden voor op het album. Volgens de muzikanten zelf liedjes die niet in de ‘flow’ van het album pasten, maar te goed waren om onuitgebracht op de planken te laten liggen. De left-overs dus.

Als we een reden moeten verzinnen waarom de vier liedjes op Meyrin Fields niet op het debuutalbum terecht zijn gekomen, is dat vooral hun gebrek aan pakkende melodielijnen en heldere productie, juist de twee dingen die Broken Bells zo goed maakten. ‘Windows’ lijkt eerder op de nerveuze nummers van Talking Heads (maar dan zonder de gekte) dan op de laid-back popsongs zoals ‘The High Road’.  Aan de andere kant van het spectrum is ‘An Easy Life’ zo laid-back dat het simpelweg saai is. Op geen enkel moment vangen we een glimps op van het vakmanschap van songsmid James Mercer of Danger Mouse’ inventieve productie.

Inmiddels is Danger Mouse bezig met de productie van U2′s nieuwe album en op 16 mei verschijnt Rome, een spaghettiwestern-album waar Danger Mouse al sinds 2005 aan werkt met de Italiaanse componist Daniele Luppi, voor het grootste gedeelte ingespeeld door muzikanten die ook mee werkten aan de originele soundtracks van Morricone. Norah Jones en Jack White zingen. En van James Mercer wordt al sinds Wincing the Night Away gehoopt dat hij ooit nog eens een nieuw album opneemt met The Shins. Kortom, Broken Bells zijn uit, over hun houdbaarheidsdatum. Maar de talenten van de twee afzonderlijke muzikanten zijn nog lang niet uitgedoofd.

William Fitzsimmons - Gold in the ShadowEén van de vele zaken die ons onderscheidt van dieren is dat we onze emoties gedetailleerd kunnen tonen door middel van gezichtsuitdrukkingen. Al vanaf onze geboorte gebruiken we ze om contact te leggen met de buitenwereld. Voor William Fitzsimmons was dat allemaal niet zo vanzelfsprekend. Als kind van twee blinde ouders kon hij weinig met een knipoog, glimlach of betraande wangen. Muziek was voor hem geen hobby, maar een noodzaak. Noodzakelijk, om emoties aan zijn ouders over te kunnen brengen. Zijn vader en moeder leerden hem piano en trombone spelen, en zelf ging hij verder met onder andere banjo, ukelele en mandoline.

Misschien is het daarom, dat de muziek die William Fitzsimmons maakt ook bij de meest oppervlakkige luisterbeurt nog betekenisvol klinkt. Net zoals op zijn vorige albums zijn ook de liedjes op zijn nieuwe album Gold in the Shadow rustig en klein. De productie is zo bescheiden dat je twijfelt of Fitzsimmons eigenlijk wel gehoord wíl worden. Zijn eerste twee albums maakte hij op zijn zolderkamertje en ook de producties deed hij zelf. Het was een schok toen hij zichzelf opeens hoorde op de radio en televisie. Maar zelfs nu Fitzsimmons aan zijn relatieve bekendheid gewend is, is zijn muziek persoonlijk en intiem gebleven.

Zijn eerste twee albums gingen over Fitzsimmons’ moeilijke jeugd en familieproblemen, opvolger The Sparrow and the Crow over de scheiding met zijn vrouw. Op Gold in the Shadow is de toon positiever. Fitzsimmons laat het verleden even voor wat het is en richt zijn blik naar voren. In ‘Let You Break’ rekent hij in cryptische bewoordingen af met zijn melancholie: ‘To cut out the figure / The grounding of this / Let melancholic drown’. Dat Fitzsimmons niet meer in zichzelf gekeerd is merken we als Julia Stone in dat liedje een snerpende tweede stem inzet, die pas na een paar luisterbeurten went.

Het is niet zo dat Fitzsimmons nu opeens fluitend lenteliedjes aan het maken is, maar de droevige ondertoon van zijn eerdere werk heeft plaatsgemaakt voor een sprankeling hoop. Nog steeds bezingt hij de schaduwkanten van het leven, maar, getuige de albumtitel, ook daar ligt goud. In de schaduwkanten van zijn eigen leven vinden wij Gold in the Shadow als gouden vrucht van ellende, pijnlijk en prachtig.

Alex Turner - SubmarineIk zal het maar eerlijk zeggen: ik heb het nooit zo gehad op de Arctic Monkeys. Hun debuutplaat Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not kon ik nog wel waarderen om enkele fijne popsongs, maar daarna leek Alex Turners talent voor het schrijven van pakkende liedjes alleen maar minder te zijn geworden. Waarom ik dan toch heb besloten om nota bene zijn solo-soundtrack voor de film Submarine te beluisteren – wat eigenlijk meer iets is voor de fans? Deels natuurlijk het feit dat de Arctic Monkeys een grote groep is die in de gaten moet worden gehouden, maar veel meer doordat Turner mij in 2008 toch aangenaam wist te verrassen met The Last Shadow Puppets en liet zijn dat hij ook het soort popsongs kan schrijven waar ik van hou.

Dat is ook precies wat Turner op Submarine doet. De vijf-en-een-half liedjes op de soundtrack-EP zijn stuk voor stuk een stukje verstilder en melancholischer dan de puntige gitaardeuntjes van de Arctic Monkeys, maar minstens even catchy. De dromerige stem van Alex Turner en zijn beschrijvende vertelstijl komen in deze vorm wat meer naar voren, in plaats van de meezingbare instant-hits met catchy riffs die hij ook goed kan maken. De manier waarop Alex Turner zijn blijdschap beschrijft als zijn lief hem mee uitvraag in ‘Glass in the Park’ (‘I can’t keep my feelings in disguise / The white parts of my eyeballs illuminate’), in ‘Stuck on the Puzzle’ vertelt hoe hij naar de sterren kijkt (‘But last night I looked up into / the dark half of the blue’) of een metafoor geeft voor neerslachtigheid (‘It’s like you’re trying to get to heaven in a hurry / And the queue was shorter than you thought it would be / And the doorman says, “you need to get a wristband”‘) zijn voorbeelden van hoe Turner grootse gevoelens bijzonder mooi kan beschrijven door te kijken naar details.

Het beste nummer van Submarine is de afsluiter ‘Piledriver Waltz’, niet geheel toevallig gearrangeerd door Owen Pallett (Final Fantasy, Arcade Fire, The National), die ook al de arrangementen van The Last Shadow Puppets had verzorgd. Het liedje is net wat zwieresquer dan de rest van de soundtrack met ronddwarrelende violen en tegen het einde een crescendo die tot een mooie afsluiter van het album leidt. ‘Piledriver Waltz’ is het enige nummer van Submarine dat ook op het komende Arctic Monkeys-album Suck It and See komt te staan. Voor mij betekent dat een klein beetje hoop dat het toch nog goed gaat komen tussen mij en de bevroren aapjes.