Beautiful Freaks

alternative music pirate radio / reviews

Kate Bush - Director's CutTussen The Red Shoes uit en Aerial zat twaalf jaar. Ondanks het lange wachten werden trouwe fans van Kate Bush beloond met een goede comeback die ‘La Bush’ weer helemaal in het hier en nu plaatste. Aerial was in geen enkel opzicht een greep naar vroeger; we hoorden juist vernieuwing en experiment. De vreugde was dan ook groot toen het gerucht opdook dat er weer een nieuwe Bush zou verschijnen, nu niet twaalf maar zes jaar na het vorige album. Toen bleek dat Director’s Cut nagenoeg geen nieuw werk bevatte kon een lichte teleurstelling niet onderdrukt worden. In plaats van nieuwe Kate Bush-liedjes staan er op Director’s Cut elf herbewerkingen van eerdere nummers.

The Sensual World (’89) en The Red Shoes (’93) zijn niet Kate Bush’ meest bekende albums. Het zijn niet, om het zo maar te zeggen, Hounds of Love of The Kick Inside. Misschien is het wel goed dat Bush ervoor heeft gekozen om juist nummers van díe albums opnieuw in te zingen of compleet opnieuw op te nemen. Ze loopt niet het risico om een klassieker als ‘The Man with the Child in his Eyes’ voor een grote massa fans te verpesten, maar krijgt wel de kans om haar minder bekende werken opnieuw aan het licht te brengen. De voornaamste reden voor deze remakes is voor Kate Bush echter het uitbrengen van de nummers zoals zij ze bedoeld had.

In 1989 schreef Kate het liedje ‘The Sensual World’ over Molly Bloom, de hoofdfiguur in James Joyce’s roman Ulysses, die uit de pagina’s van het verhaal de echte wereld in stapt (“Stepping out, off the page, into the sensual world”). De tekst van James Joyce mocht ze niet gebruiken vanwege licenties en auteursrecht, dus schreef ze haar eigen interpretatie op. Maar, zoals ze zelf zegt: “Well, I’m not James Joyce am I?” Op Director’s Cut staat ‘Flower of the Mountain’, een bewerking van ‘The Sensual World’, maar nu mét de oorspronkelijke tekst van Joyce. Zoals Kate Bush altijd al gewild had.

Een ander voorbeeld is ‘Deeper Understanding’. Destijds hoorde dat niet bij de drie singles van The Sensual World, nu is het wel de eerste single van Director’s Cut. Het nummer gaat over de liefde tussen een mens en een machine (behoorlijk visionair). “’Are you lonely, are you lost? / This voice console is a must.’ / I press Execute.” In 1989 klonk het nummer al kil en metalig, maar twintig jaar later is het Kate pas echt gelukt om een computersfeer te creeëren. Des te knapper omdat alle muziek op Director’s Cut analoog is ingespeeld, wat voor een warmer geluid zorgt dan het digitaal opgenomen The Red Shoes. De vocoder, ingesproken door Kate Bush’ zoon, in ‘Deeper Understanding’, bevalt mij niet en zorgt ervoor dat ik toch met moeite naar het nummer luister, maar past wel bij de achterliggende gedachte.

Niet elke song op Director’s Cut is even ingrijpend veranderd en ook lang niet elke verbetering is een goede. Zo is de leadsingle van The Red Shoes, ‘Rubberband Girl’, volledig opnieuw opgenomen en verworden tot een soort Rolling Stones-song met onduidelijke zang. ‘This Woman’s Work’ duurt op Director’s Cut twee minuten langer, maar is inhoudelijk uitgedund en van het mooie nummer dat het was blijft weinig meer over. Vaak zijn de toeters en bellen die de originelen een wat gedateerd geluid gaven weggehaald, wat voor een onwelkom kaal geluid zorgt. De zang zelf klinkt op Director’s Cut dieper dan twintig jaar geleden en mist daardoor het karakter dat de nummers kregen door Bush’ bijzondere, ijle stem.

Tot slot valt op dat van de elf herbewerkingen er zéven afkomstig zijn van The Red Shoes, en slechts vier van The Sensual World, wat in mijn ogen juist het betere album is. Songs als ‘Love and Anger’ of ‘The Fog’ zijn onaangeraakt (of onaangetast) gebleven. Eigenlijk is dat maar goed ook, want hoe zeer ik ook begrijp dat een artiest na tientallen jaren niet meer tevreden is over zijn werk – een muzikant wil immers altijd vooruit – denk ik dat het beter is om die nummers met rust te laten. Aan elk album of liedje kleeft een verhaal dat niet uit die context gehaald moet worden. Dat Kate Bush het toch heeft gedaan vergeef ik haar omdat het niet voor het geld is, maar vanwege haar artistieke drang, maar aan de reeds uitgebrachte platen voegt het niets toe. Dan liever een nieuw album. Ik weet zeker dat ‘La Bush’ het nog in zich heeft.

The Antlers - Burst Apart“The great thing about Burst Apart is the fact that I don’t have to emotionally wreck myself every time I listen to it,” schrijft een anonieme Last.FM-gebruiker (ja, zover gaat onze research!) over het nieuwe album van The Antlers, Burst Apart, opvolger van het gelauwerde Hospice uit 2009. Dat was in feite al hun derde album, maar werd onthaald als een sterk debuut, want maar een kleine schare fans kenden ook al de twee albums die Peter Silberman daarvoor had uitgebracht, vanuit zijn zolderkamer en toen nog zonder band.

Hospice was een concept-album over een ziekenhuiswerker die verliefd wordt op een terminaal zieke patiënt en een autobiografische analogie voor een emotioneel zware relatie. Burst Apart daarentegen opent meteen met het nummer ‘I Don’t Want Love. “So if I see you again / Desperate in stone / Keep your prison lock dead / And I will leave my god at home / I don’t want love, I don’t want love”. Silberman rekent af met het verleden. Burst Apart is dan ook geen nieuwe conceptplaat, maar een verzameling van tien liedjes, popliedjes zelfs, nog lang niet vergeten van pijn en wanhoop, maar ook weer niet zo gitzwart als voorheen.

‘Every Night My Teeth Are Falling Out’ is een liedje dat zowel pakkend als beklemmend is. Van alle tracks op Burst Apart is ‘Every Night’ het deuntje dat zich in je hoofd nestelt, maar telkens wanneer je in de lentezon hardop zingt dat je tanden aan het uitvallen zijn schrik je door de weerklank van Silbermans wanhopige zang die als een echo terugkaatst. Een ander verhaal is ‘Putting the Dog to Sleep’, dat begint als puntige, kale ballad en zich langzaam ontvouwt tot een Arcade Fire-achtige grootsheid (vgl. ‘My Body Is a Cage’). “Prove to me / I’m not gonna die alone,” beveelt Silberman aan het begin van dat nummer, maar op het einde is hij gerustgesteld. “Put your trust in me, I’m not gonna die alone / I don’t think so.”

Maar ‘Every Night’ en ‘Putting the Dog to Sleep’ zijn uitzonderingen. Het grootste gedeelte van de nummers op Burst Apart houdt het halfslachtige midden tussen emotionele ballad en new wave-popsong, met een half dozijn net-niet-liedjes tot gevolg. ‘French Kiss’ is een liedje dat geen liedje wil worden, maar blijft doorgaan met dezelfde repetatieve drum ‘n’ bass. ‘Tiptoe’ een mooie soundscape die verder niks toevoegt aan het album. Het lijkt wel alsof The Antlers met de stroom mee proberen te zwemmen en pure teksten hebben verpakt in een hip doosje van zware bassen, holle drums en wijde synthesisers. Het zijn juist de kalere liedjes, zoals het akoestisch gespeelde ‘Corsicana’, die eerlijk klinken en zonder pretenties gevoelens over weten te brengen.

Eigenlijk durft men het niet te zeggen, maar de meeste artiesten zijn op hun best als ze in de put zitten. Sommigen schreeuwen het uit zodat hele festivalwijden het kunnen horen, terwijl andere muzikanten het je toefluisteren en je dwingen om dichterbij te komen staan en met elke stap dieper in de ellende meegezogen te worden. The Antlers maakten met Hospice een album dat zo goed was, omdat het veel vroeg van een luisteraar die weinig verwachtte. Met Burst Apart is het precies andersom. Halfzachte songs die weinig van me vergen, terwijl ik er toch veel van verwacht had.

Twee keer per jaar zie ik de affiche van London Calling aan me voorbijgaan. Elke keer besluit ik dan weer om het tweedaagse festival in Paradiso aan me voorbij te laten gaan, omdat ik maar één op de tien bandjes ken. De maanden daarna verzucht ik me dat ik niet gegaan ben, omdat het ene na het andere bandje opduikt waarover ik denk: ‘hé, stonden die niet op London Calling?”. Dit keer heb dus geprobeerd om Paradiso’s trots vóór te zijn en dat is me gelukt. Helaas is het de bands die vrijdag- en zaterdagavond optreden niet gelukt om mij te overtuigen.

Cults @ Paradiso, London Calling

Cults

De vrijdagavond begon fijn met de laatste twee nummers van Braids, een Canadees kwartet dat leentjebuur speelt bij Animal Collective, maar dan met een zangeres die past bij iets als Beach House. Dat zorgt voor muziek die balanceert op het randje van zweverig, maar door goed songmateriaal gered wordt van de afgrond. Het is niet alleen de volle stem van Raphaelle Standell-Preston, die ook behoorlijk de hoogte in kon gaan, die daarvoor zorgde, maar ook het feit dat Braids in staat was om een gelaagd geluid met veel details goed over te brengen.

Iets waar Cat’s Eyes niet in slaagde. Van de gedragen, meeslepende live-versie van ‘I Knew It Was Over’, opgenomen in het Vaticaan, is de verandering naar wat er in de kleine zaal van Paradiso stond groot. Slordig gespeelde liedjes waar nauwelijks meer een melodielijn in te ontwaren was en een microfoon die zo zacht stond afgesteld dat we Faris Badwan wel zagen maar niet hoorden zingen.

De volgende dag begon een stuk beter. Het mysterieuze duo Cults uit San Francisco, voor de grote zaal van Paradiso in grotere bezetting, heeft net drie liedjes uit, maar de broekies gedroegen zich al alsof ze rocksterren waren. Dat mag, zolang de liedjes maar goed uitgevoerd worden en bij Cults was dat zeker het geval. Naast de drie liedjes van de EP, met het hitje ‘Go Outside’, hoorden we ook nog enkele andere nummers die ons steeds meer doen uitkeken naar hun debuutalbum. Klein puntje van kritiek: de bassen stonden veel te hard. Dat heeft Cults helemaal niet nodig en past ook niet bij de schattige, lichte popsongs die ze spelen.

The Crookes is een band die al iets langer meegaat en zorgde dus voor een volle grote zaal. Die verdienden ze overigens niet, want in plaats van de aardig gespeelde liedjes in de stijl van The Smiths die op hun album staan, hoorden we in Paradiso het zoveelste rumoerige Britse bandje in de stijl van The Wombats en The Pigeon Detectives. In tegenstelling tot die twee waren The Crookes niet eens leuk, door een frontman die zich ongelooflijk aanstellerig gedroeg in plaats van prentieloos enthousiast het publiek op te zwepen zoals dat hoort bij dit soort muziek. Als de muziek dan ook niet echt vernieuwend of bijzonder is, zorgt dat niet bepaald voor een goed concert.

Wild Beasts @ Paradiso, London Calling

Wild Beasts

De must-see voor deze editie van London Calling was volgens Beautiful Freaks Wild Beasts, dat dit jaar hun derde album Smother heeft uitgebracht. De vraag is eigenlijk waarom een band met drie bovengemiddelde albums nog op London Calling staat, tussen alle bandjes die net anderhalf nummer op hun setlist hebben staan. Wellicht ligt het aan hun moeilijke geluid dat geen volle zalen trekt, maar een eigen show in de kleine zaal van Paradiso had er zeker ingezeten. Helaas viel hun optreden op London Calling tegen. Dat lag niet aan de liedjes, want die zijn natuurlijk dik in orde, maar aan de geluidsconfiguratie. Van Hayden Thorne’s geschoolde, Antony-achtige stem hoorden we maar weinig, terwijl de muren wel trilden door veel te harde bassen. Zeker bij zo’n subtiel, gedetailleerd geluid als dat van Wild Beasts kan dat al snel funest zijn voor een concert. Ik kan me voorstellen dat sommige publieken dit ‘vet’ vinden klinken, maar er blijft weinig meer over van de Wild Beasts waar wij voor gekomen waren.

Al met al was London Calling in de ogen van Beautiful Freaks een teleurstelling. Wellicht is de november-editie beter, want het lag zeker niet aan de programmering. Wel aan slecht geluid, wat bij beginnende bandjes overigens helemaal niet zo gek is. Veel blijven oefenen en een aantal van de bands die nu niet al te best klonken kan over een paar jaar op eigen benen een goed concert neerzetten in Paradiso.

Danger Mouse & Daniele Luppi - Rome Danger Mouse, door het leven gaand als Brian Burton, heeft altijd al een voorliefde gehad voor films. Op Dark Night of the Soul werkte hij samen met regisseur David Lynch, maar zijn grootste inspiratiebron is Woody Allen: “Woody Allen was an auteur: he did his thing, and that particular thing was completely his own,” vertelde hij de New York Times. “That’s what I decided to do with music. I want to create a director’s role within music.” Hoe mooi al zijn andere projecten ook zijn, Rome is het eerste album waarop Brian Burton hierin slaagt. Rome is geen verzameling popsongs, maar een filmisch verhaal, met Danger Mouse meer dan ooit achter het roer.

Of het nou is omdat zijn compagnon in dit project, de componist Daniele Luppi, van Italiaanse komaf is, of omdat op Rome orkest en koor van de originele Morricone-soundtrack The Good, the Bad and the Ugly meespelen, Burton weet vervaarlijk dichtbij de typische spaghettiwestern-sfeer te komen. Als een ‘soundtrack zonder film’ ademt het geheel een tijdloze sfeer uit die onwillekeurig doet denken aan eindeloze, warme zomers en bruinige postkoetsen over stoffige wegen. Zorgeloos, zoals Norah Jones  in ‘Problem Queen’ haar tekst terzijde schuift en overgaat in een deinend ‘la-la-la’. De romantische violen en gelukzalige koren tonen zich schoon maar medogenloos, alsof zij nog één keer in hun leven voor de laatste maal mogen spelen. Het is een bepaald soort noodzaak die doorklinkt in de muziek op Rome. Dat is niet verwonderlijk, want Burton en Luppi werken al sinds 2005 aan dit album en voor Danger Mouse is dit het album dat hij altijd al wilde maken.

Naast jazz-zangeres Norah Jones, die op Rome weliswaar een beetje op de achtergrond blijft, zingt ook White Stripes-zanger Jack White mee op drie liedjes van het album. Op ‘The Rose with the Broken Neck, het liedje dat klinkt alsof het er altijd al geweest is, dachten we eerst een vrouw te horen zingen – de naam PJ Harvey was al gevallen – toen bleek dat we toch echt White hoorden en ook op afsluiter ‘The World’ maakte verwarring zich van ons meester. Maar juist de androgyne zangstijl en productie maakt die liedjes zo spannend. Hiermee komt White lijnrecht tegenover Norah Jones te staan, die op Rome met haar rustige, lage stem lieflijk klinkt. Samen vormen ze de tegestelling van het album tussen geluk en droefenis, de mooiste en laatste dag met een zon die tegelijkertijd badend warm en dodelijk fel is. De verbeten manier waarop White echter zingt in ‘Two Against One’ maakt Rome niet enkel een zoete herinnering, maar één met een bittere nasmaak.

Naast drie tracks met Norah Jones en drie-en-een-halve song waar Jack White op zingt blijven er acht instrumentale liedjes (met koorzang, soms) over, waaronder twee Interludes. Ook in die liedjes horen we meer dan eens de talenten van zowel Daniele Luppi als Brian Burton. Aanstekelijke deuntjes worden afgewisseld met rustige wegdroommuziek, maar steeds ligt er spanning op de loer – het blijft immers een western-soundtrack. Dat alles is doordrenkt in de productie van Danger Mouse, wiens stijl bestaat uit een kraakhelder, lichtvoetig geluid, mede door trage drums die nooit zwaar op de voorgrond treden. De finishing touch wordt gevormd door subtiele gitaarloopjes en tinkelingen, zoals het speeldoosje in ‘Morning Fog (Interlude)’, dat als een doos van Pandorra de ene jeugdherinnering na de andere naar boven haalt. In Once Upon a Time in the West zou dit de scène zijn waarin de hoofdpersoon zijn broer wordt opgehangen en hijzelf wordt gedwongen de mondharmonica te bespelen. Net zoals die film geeft ook Rome mij kippenvel. Het zijn niet de geluidjes die Danger Mouse toevoegt, waarmee hij zich een groots muziekregisseur toont, maar zijn vermogen om daarmee emoties en herinneringen op te roepen.

Ondanks twee gastzangers, een orkest en de reünie van het Cantori Moderni-koor zorgt Danger Mouse er altijd voor dat de muziek niet uitbarst in goedkoop filmbombasme, en ook hierin toont hij zich een ervaren producer. In ‘Black’ weet hij stemmen en violen te beteugelen tot een eenvoudig liedje. Waar anderen steeds grootser en gevaarlijker zouden gaan werken (zoals onze andere western-artieste, Anna Calvi), durft Danger Mouse een stapje terug te nemen. Hiermee zorgt hij ervoor dat Rome niet een album is van de Morricone-muzikanten, noch van Jack White of Norah Jones. Zelfs niet van Daniele Luppi. Hij is de film-freak in wie Danger Mouse op het gebied van liefde voor cinematografie zijn gelijke heeft gevonden en zelfs Burtons vlam verder heeft aangewakkerd. Maar in termen van muzikale geestdrift en vaardigheid is hij geen gelijke. Rome is de uitgekomen jongensdroom van Brian Burton, de man die altijd achter de schermen is blijven wachten tot zijn moment zou komen.

De lijst van albums en projecten waar Danger Mouse achter de knoppen heeft meegewerkt begint steeds langer te worden. The Grey Album, zijn mash-up tussen The Beatles en Jay-Z, ‘Crazy’ van Gnarls Barkley (met Cee-Lo Green!), Beck’s Modern Guilt, Broken Bells met James Mercer, Dark Night of the Soul met Sparklehorse (en ook diens Dreamt For Light Years in the Belly of a Mountain), het tweede Gorillaz-album, Attack & Release en Brothers van The Black Keys en het komende album van U2 zijn de meest noemenswaardige van zijn projecten. Van al deze projecten is Rome het beste. Niet omdat zijn liedjes wederom van een beklemmend hoog niveau zijn, maar vanwege het feit dat dit project het eerste is waarop Danger Mouse niet achter de knoppen meespeelt, maar als een regisseur het project heeft geleidt. Rome is niet de ‘soundtrack zonder film’. Rome ís de film.

Beautiful Freaks 53: o.a. Danger Mouse, Cults en PJ Harvey by Beautiful Freaks

Er waren deze week een paar thema’s die door elkaar heen liepen. Ten eerste de western-muziek, die we natuurlijk hoorden in Anna Calvi’s ‘Rider to the Sea’, maar nog veel meer in Danger Mouse’ nieuwe project met Daniele Luppi, Rome, waarvan we vandaag het nummer ‘The World’ draaiden. Jack White on vocals. Daarop aansluitend luisterden we ook naar Danger Mouse’ project met Sparklehorse, Dark Night of the Soul, Broken Bells, waarop we Danger Mouse met James Mercer van The Shins horen, en het door Danger Mouse geproduceerde ‘Modern Guilt’ van Beck. Dat werd nog aangevuld met enkele fijne zangeressen, waaronder PJ Harvey, de donkere pop van EMA, het nieuwe leukste bandje uit San Francisco Cults, The Jezabels uit Australië en all-female-band Warpaint.

1. Eels – Beautiful Freak

2. Anna Calvi – Rider to the Sea
3. PJ Harvey – The Dark Places
4. EMA – Grey Ship

5. Warpaint – Baby
6. The Jezabels – Dark Storm
7. Cults – Go Outside

8. Danger Mouse & Daniele Luppi – The World (feat. Jack White)
9. Broken Bells – Mongrel Heart
10. Beck – Modern Guilt

11. Danger Mouse & Sparklehorse – Revenge (feat. Wayne Coyne)
12. Mercury Rev – Holes
13. The Flaming Lips – Race for the Prize

Dit jaar maakt het deel uit van Indiestad, maar London Calling is natuurlijk al een festival op zich. Sinds de eerste editie in 1992 hebben onder andere Franz Ferdinand, Bloc Party, White Lies en Florence & The Machine hun eerste Nederlandse optreden gegeven als onderdeel van het festival en inmiddels is London Calling dé showcase voor bandjes die het helemaal gaan maken. Ook als de line-up je nu niks zegt is het verstandig om te komen, want over pakweg een halfjaar herken je de namen wel en zal je spijt hebben dat je niet bent gegaan (zo verging het mij tot nu toe elk jaar). En wat betreft de naam; ja, het is moeilijk om heden ten dage nog goede indie uit Groot-Brittannië te vinden, maar Paradiso slaagt erin en ook alle Brooklynse bandjes zien we graag. Hier de tips van Beautiful Freaks:

Braids (vrijdag 19:30, grote zaal) – luister ‘Lemonade
Braids is zo’n moeilijk te beschrijven band die alleen maar vergeleken kan worden met andere eigenzinnige bands zoals Animal Collective. Als we die twee vergelijken is Braids in elk geval dromeriger en worden de nerveuze loops juist afgewisseld met rustige beats. Braids is typisch zo’n bandje waarbij er een heleboel spannende dingen op de achtergrond gebeuren, zonder dat de liedjes er minder om worden. Apart en leuk!

Cat’s Eyes (vrijdag 20:15, kleine zaal) – luister ‘I Knew It Was Over
Wat krijg je als je de frontman van een horror-band kruist met een Canadese sopraan? Juist, Cat’s Eyes, de samenwerking tussen Faris Badwan van The Horrors en Rachel Zeffira. Hun muziek is sacraal en van een hemelse schoonheid. Dat leek het onconventionele duo zelf ook te hebben beseft, want hun single ‘I Knew It Was Over’ hebben ze live gespeeld in Het Vaticaan, inclusief koor en kerkorgel. Knappe jongen die het dan nog droog houdt.

Ariel Pink’s Haunted Graffiti (vrijdag 22:00, grote zaal) – luister ‘Round and Round
Op zijn zevende (!) album Before Today durfde Ariel Marcus Rosenberg zijn gouden liedjes eindelijk uit hun verpakking van ruis te halen en kon de wereld horen wat voor een fijne popsongs hij schrijft. Laid-back om zorgeloos in het gras te liggen, met veel invloeden uit de jaren ’60 en ’70. We horen Pink Floyd, Frank Zappa, The Beatles, Steely Dan, Fleetwood Mac, et cetera. Als Rosenberg de sfeer van zijn muziek weet over te brengen op het publiek in Paradiso, moet dit een erg mooi optreden worden.

The Fresh & Onlys (vrijdag 00:30, kleine zaal) – luister ‘Waterfall
In San Francisco schieten de bandjes inmiddels als paddestoelen uit de grond. Ook The Fresh & Onlys is zo’n groep met een fris en vrolijk geluid, geïnspireerd op The Beach Boys en de Nuggets-compilatie. Wat The Fresh & Onlys anders maakt dan al die anderen is dat ze hun geluid combineren met folk/country uit hun vaders platenkast en zo tegelijkertijd inspelen op de hype rond Mumford & Sons. Wie om half één al moe is van London Calling kan bij The Fresh & Onlys even lekker relaxen.

2:54 (zaterdag 18:30, kleine zaal) – luister ‘Creeping
Warpaint nam deze band als support act mee op hun toernee door Groot-Brittannië en qua geluid komen de twee groepen zeker overeen. Lome electronica met daaroverheen betoverende vrouwenstemmen en in de achtergrond duistere gitaartjes is het handelsmerk van 2:54 en daar zijn ze goed in. Naast Warpaint zijn de twee zusjes geïnspireerd door Blood Red Shoes en Auf Der Mauer, die het tweetal de powervolle kant mee hebben gegeven. Meteen een prikkelende openingsact voor de tweede dag van London Calling dus.

Cults (zaterdag 20:45, grote zaal)luister ‘Go Outside
Cults is een van de leukste bandjes op dit moment. Met hun drie nummers tellende 7″-single gooien ze hoge ogen en vooral het bescheiden hitje ‘Go Outside’ gaat muziekliefhebbers deze lente nog veel plezier bezorgen. Hun muziek is schattig en zoet en in ieder opzicht precies wat je wil van dit soort lo-fi popbandjes. Perfect in hun genre dus, en dat belooft wat voor het optreden in Paradiso, waar we hopelijk ook wat meer materiaal gaan horen.

The Crookes (zaterdag 22:00, grote zaal) – luister ‘Backstreet Lovers
Alsof we nog niet genoeg simpele synth-pop hadden, sterk geïnspireerd door The Smiths, zijn hier The Crookes die het bekende kunstje nog eens uitstekend uitvoeren. Waarom we ze dan toch weer leuk vinden? Omdat ze dit keer niet uit Brooklyn of San Francisco, maar uit Sheffield komen. Omdat ze beïnvloed klinken zonder copycats te zijn. En omdat we eigenlijk nooit genoeg kunnen krijgen van dit geluid, zeker niet als het zo goed uitgevoerd is.

Wild Beasts (zaterdag, 23:15, grote zaal) – luister ‘Albatross
Van Wild Beasts snappen we eigenlijk niet waarom ze nog op London Calling staan. Met hun derde goede album op rij, Smother, verdienen ze eigenlijk wel een eigen optreden in Paradiso’s grote zaal. Waarom ook alweer? Hun muziek zit vol onderhuidse spanning, veroorzaakt door het contrast tussen de kille electronica en Hayden Thorne’s vrij voortbewegende stem die erg sterk doet denken aan Antony Hegarty. Dit is ongetwijfeld de must-see van London Calling.

Twin Shadow (zaterdag, 00:45, grote zaal) – luister ‘Slow
Ook Twin Shadow is een mengelmoesje van allerlei invloeden, voornamelijk bands uit de jaren ’80. Twin Shadow, opererend vanuit het nog altijd even hippe Brooklyn, combineert elektrische gitaren en synthesisers tot donkere popsongs. Zeg maar The Cure meets The Smiths. Het meest opvallende aan Twin Shadow is dat ze dit al direct doen met veel kwaliteit en klasse, terwijl andere bandjes blijven steken bij één leuk liedje en een matig album. Nee, origineel is het niet, maar we zien ze graag.

Passe-partouts voor London Calling zijn helaas uitverkocht (je kan nog wel een kaartje voor Indiestad kopen à €80,-), maar er zijn nog wel dagtickets beschikbaar voor €17,50.

The Intergalactic Lovers @ Walk the Line

Lara Chedraoui van The Intergalactic Lovers

Afgelopen vrijdagavond vond in de binnenstad Den Haag het Walk the Line-festival plaats, alwaar een aantal interessante bands en artiesten te bewonderen waren. Zoals altijd wijkt de uiteindelijke route af van de oorspronkelijke planning, maar dat maakte het er niet minder op.

Eén van de locaties waar optredens plaatsvonden was een kleine bar genaamd ‘Supermarkt’, een gegeven dat Lara Chedraoui, zangeres van The Intergalactic Lovers, nogal grappig vond en ook uw Beautiful Freaks-verslaggevers konden er wel om lachen. Ondanks dit grappige voorval zetten The Intergalactic Lovers uit België namelijk een serieus goed optreden neer. Live kwam het rauwe randje van het album nog sterker naar voren en verloor de band hun commerciële radiokant. De spil van de groep is natuurlijk Lara, die met haar scherpe stem aan elk liedje iets van magie toevoegt, maar ook de overige bandleden waren op dreef. Niet alleen de single ‘Delay’, maar ook de andere nummers wonnen zo aan kracht.

Volgens onze voorbeschouwing zouden we daarna nog even tijd hebben voor de rustige soundscapes van The Deer Tracks, maar eenmaal in de kleine zaal van ‘t Paard van Troje aangekomen bleek de witblonde engelenzangeres vergezeld te worden door een drietal bandleden dat de stereotype-beschrijving van ‘emo’ sterk naderde. Ook de muziek ging te veel die kant uit, en neigde te weinig naar Sigur Rós, dus het besluit om de grote zaal te betreden was snel gemaakt. Daar stonden Broken Records, die we al eerder zagen als voorprogramma van The National in Tivoli. Toen waren ze een leuke  baroque-pop band die net iets beter was dan het gemiddelde voorprogramma, maar in ‘t Paard van Troje kon je merken hoe ze gegroeid waren. Een grootser en voller geluid dat, in tegenstelling tot op het album, overtuigend klonk. Wat het meeste opviel was het contrast dat Broken Records gebuikt in hun muziek. Een liedje kon beginnen met een eenzame viool, maar uitbarsten in bezeten folkmuziek.

Broken Records @ Walk the Line

Broken Records

Vervolgens namen we een kijkje bij Marques Toliver, de Amerikaanse soulzanger met viool. ‘De Supermarkt’ zat hiervoor bomvol en de enige manier om nog iets te zien was op het balkon tussen de benen van de mensen voor je door proberen te kijken. Het valt niet te ontkennen dat Toliver een talentvol muzikant en zanger is en wat dat betreft was deze opkomst ook geheel verdiend, maar ons type muziek is het niet. Vooral Tolivers vioolspel zou nog een stuk beter kunnen, want doordat hij moet zingen én vioolspelen tegelijkertijd kan hij zich niet goed concentreren op één van de twee. Zijn krachtige stem heeft eigenlijk recht op een band.

Vervolgens besloten we om toch maar eens een kijkje te nemen bij The Pigeon Detectives. Een groep die niet meer relevant is en dat eigenlijk ook nooit geweest is (zelfde verhaal als The Wombats), maar desondanks trokken ze een groot publiek. De kleine zaal van ‘t Paard van Troje zat vol en zelfs op het gangetje ernaartoe stond een tiental mensen nog mee te springen en klappen. En hoewel The Pigeon Detectives nooit hoogstaande muziek zullen maken, is hun charme wel begrijpelijk. Wie valt er nou niet voor aanstekelijke popdeuntjes en een charismatische frontman? De belofte dat je het optreden ‘nat en met gescheurde kleren’ zou verlaten werd (helaas?) niet waargemaakt, maar een vermakelijke show was het wel.

Marques Toliver @ Walk the Line

Marques Toliver

De afsluitende act en in die hoedanigheid ook soort van headliner van Walk the Line was The Boxer Rebellion. Dat is een teken dat de band eindelijk de erkenning krijgt die ze al sinds het sterke debuutalbum Exits uit 2005 verdienen. Dat The Boxer Rebellion al een aantal jaar ervaring heeft was direct te zien in hun optreden. Songs werden foutloos aan een stuk door gespeeld, zonder slappe praatjes tussendoor. De oudere nummers zoals ‘Evacuate’ en ‘Flashing Red Light Means Go’ werden afgewisseld met de hitjes van het derde album The Cold Still, zoals ‘The Runner’ of de ballade ‘No Harm’. Waar die langzamere liedjes op het album nog weleens overdreven of ongemeend klonken, was dat live geen probleem. Niet omdat de pijn nu wel overtuigend naar voren werd gebracht, maar juist omdat de band zoveel plezier had met spelen dat alle pretenties vanzelf verdwenen. Al met al is The Boxer Rebellion inmiddels een volwaardige en volgroeide band.

Indiestad‘Indie’, inmiddels is het de vraag of die term nog wel enige inhoud heeft. De kleine, onafhankelijke bandjes van vroeger zijn inmiddels groot en bekend geworden. Arcade Fire of The National staan niet meer in kleine zaaltjes maar verkopen al uit en in reclame’s horen we geen Top 40-muziek maar liedjes die ook op Beautiful Freaks langkomen. Ondanks deze onduidelijke benaming van wat ‘Indie’ nou precies is en hoe het moet klinken, is Amsterdam deze maand één week en één dag lang de Indiehoofdstad. In die acht dagen treden er tal van indie-acts op in hoofdkwartier Paradiso, maar ook sublocaties zoals De Duif, OT301, Bitterzoet en de Vondelkerk. Passapartouts zijn hier te koop voor 80 euro. Hieronder de tips van Beautiful Freaks:

Woensdag 18 mei
Op dezelfde dag dat The Tallest Man on Earth in Paradiso staat (geen onderdeel van Indiestad), kunnen degenen die geen kaartje hebben genieten van Bill Callahan, de singer-songwriter met zijn intens doorleefde stem en spaarzame maar net zo mooie folkmuziek, die voor Indiestad een optreden geeft in De Duif. Zijn nieuwste werk Apocalypse, een grootse titel voor zo’n persoonlijk album, is slechts de zoveelste bekroning op zijn oeuvre. Met zich mee neemt hij zijn lief Sophia Knapp.

Zijn optreden is een double bill met Julianna Barwick. Haar tweede album The Magic Place kreeg van Pitchfork het label best new music en dat duidt op zijn minst aan dat de muziek interessant is. Wij vonden Barwick eerlijk gezegd aardige, maar niet bijster interessante ambient-muziek. Wellicht weet ze het publiek in de mooie setting van De Duif nog te verrassen.

Waar: De Duif
Wanneer: 18 mei, 19:30
Hoe duur: €15,- voor losse tickets

Later die avond treedt in Paradiso zelf 13 & God op, een samenwerking tussen het Duitse The Notwist en Themselves uit Amerika. Een combinatie van killie electronica en donkere rap. Samen klinkt het als intercontinentale trip-hop, met als grootse raaklijnen Portishead en Archive. Niet zo goed als The Notwist en na een tijdje misschien net iets te veel van hetzelfde, maar desalniettemin mooie muziek en het kan zeker interessant worden in Paradiso.

Waar: Paradiso
Wanneer: 18 mei, 22:00
Hoe duur: €12,- voor losse tickets, excl. lidmaatschap

Donderdag 19 mei
De opvallendste gebeurtenis van de donderdag is de Nederlandse Bandavond in OT301. Daar treden Lila Kite, The Secret Love Parade, Elkin en The Skywalkers op. Lola Kite bracht dit jaar hun debuutalbum Lights uit, vol aanstekelijke popdeuntjes die soms iets te fout klonken maar zeker tegen het eind van het album de psychedelische kant van de popmuziek opzochten. The Secret Love Parade is een jongen-meisje-duo dat schattige popmuziek maakt en de Nederlandse Belle&Sebastian genoemd zou kunnen worden. Ook The Skywalkers zijn leuk, met pure, Beatlesque popmuziek. Elkin is de vreemde eend in de bijt; experimentele geluiden met mooie vrouwenzang.

Waar: OT301
Wanneer: 19 mei, 20:30
Hoe duur: €10,- voor losse tickets

Vrijdag 20 mei
Vrijdag 20 en zaterdag 21 mei is in Paradiso de lente-editie van London Calling. Natuurlijk zijn het al lang niet meer alleen maar Britse bandjes die we hier mogen horen, maar ook veel opkomend talent uit de Verenigde Staten. De twee avonden zijn zo veelzijdig en vol dat de voorbeschouwing morgen als apart deel verschijnt.

Degenen die liever wachten tot een bandje naast een single of een half liedje ook een heel album uit heeft gebracht en niet geïnteresseerd zijn in ‘opkomend talent’ als eufemisme voor ‘kinderen die niet kunnen spelen’ kunnen hun toevlucht zoeken in De Duif voor het concert van Die Anarchistische Abendunterhaltung. Spannende muziek die een clash is tussen rock, jazz, pop, folk en klassiek.

Waar: De Duif
Wanneer: 20 mei, 20:00
Hoe duur: €15,- voor losse ticket

Zondag 22 mei
Zondag is Indiestads ‘Indievloot-middag’, met optredens in Paradiso en de daarnaast gelegen Balie. De middag lijkt vooral gericht te zijn op indie-folk muziek, met zowel internationaal bekende namen als lokale favorieten. De ongetwijfelde hoofdact van die dag is Okkervil River. Hun nieuwe album viel weliswaar tegen, maar hun overige verdiensten zijn groot en met successen als Black Sheep Boy en The Stage Names zijn zij een must-see. Van Nederlandse bodem kunnen we kijken naar de integere folkliedjes van I Am Oak en Rebecca Sier, die afgelopen maandag de halve finale van Mooie Noten won. Daarnaast geven onder andere Thus:Owls, Case Mayfield en Cloud Control optredens.

Waar: Paradiso en De Balie
Wanneer: Zondag 22 mei, 16:00
Hoe duur: €17,50 (excl. lidmaatschap)

Maandag 23 mei
The Jezabels is een Australische band die al drie veelbelovende EP’s hebben uitgebracht, maar nog geen album. Ze maken gedreven popmuziek met disco-invloeden en een aangenaam wijds geluid. Wat vooral opvalt is de krachtige stem van frontvrouw Hayley Mary, die niet onderdoet voor pakweg Florence Welsch. Het is slechts een kwestie van tijd voordat The Jezabels met hun debuutalbum het vasteland gaan veroveren.

Waar: Paradiso (Kleine zaal)
Wanneer: 23 mei, 22:00
Hoe duur: €8,50 (excl. lidmaatschap)

Dinsdag 24 mei
Dat Deserter’s Songs uit 1998 Mercury Rev’s beste album was, is en waarschijnlijk ook zal blijven moeten ze zelf ook beseft hebben, want inmiddels voeren ze het weer integraal uit. Op 24 mei gaan ze dat in Paradiso doen en daarmee hoort Mercury Rev tot de oudere namen van Indiestad, de zogezegde gevestigde orde die tal van bands die ook optreden aankomende week heeft beïnvloed. Alleen al voor het magistrale ‘Goddess On a Highway’ zou iedereen naar dit optreden moeten komen. Wij in elk geval wel.

Waar: Paradiso
Wanneer: 24 mei, 20:30
Hoe duur: €22,- (excl. lidmaatschap)

Al deze mooie namen en optredens beschouwend durf ik mijn nationalisme te laten spreken en te zeggen dat ik er trots op ben om in Amsterdam te wonen, de onbetwistbare Indiehoofdstad, in elk geval komende week.

Wild Beasts - SmotherWat hebben Dalston (oostelijke wijk van Londen), Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector, componist Steve Reich, de noise van Fuck Bottons en Mary Shelley’s bekende Frankenstein met elkaar te maken? Volgens Wild Beasts waren het allemaal inspiratiebronnen voor hun nieuwe, derde album Smother. Sommige daarvan, zoals Fuck Bottens en Steve Reich, laten zich makkelijk duiden, terwijl Frankenstein en Dalston meer een kwestie van gevoel en sfeer zijn. Voor Clarice Lispector heb ik de nodige research moeten doen, maar ook dat is inmiddels helemaal duidelijk.

Allereerst de muzikale invloeden en veranderingen. We kunnen in elk geval vaststellen dat Wild Beasts op Smother nog meer de elektronische richting zijn op gegaan en steeds verder afdwalen van het pad van de rockmuziek. De muzikale vernieuwing is niet de toevoeging van het een of ander, maar eerder een afwezigheid die zich in de muziek voordoet. De spanning speelt zich nu heel duidelijk af onder de oppervlakte. In ‘Lion’s Heart’ bijvoorbeeld horen we een constante ritmisch dreigende synth – zoiets als wat Radiohead heeft geprobeerd op The King of Limbs – en daarover heen een minimalistische, quasi-lieflijke piano. Zanger Hayden Thorpe wringt zijn stem in allerlei hoeken en bochten, klimt dan weer omhoog om vervolgens in de diepte af te dalen. Het geheel klinkt zwevend en vloeibaar, maar door het repitatieve element en het ontbreken van een uitbarsting of climax ook claustrofobisch.

Hayden Thorne werd ten tijde van het debuutalbum Limbo, Planto natuurlijk ook al vergeleken met Antony Hegarty, maar op Smother lijkt hij die voorbij te willen streven en meer te neigen naar Antony’s theatrale broertje Jamie McDermott van The Irrepressibles. Thorne zingt variërend hoog, laag, hard, zacht, vaak met een zuiver falsetto of rillend vibrato. Doordat hij dit binnen één nummer kan afwisselen – en voor de lage tonen ook nog hulp krijgt van bassist Tom Fleming – zorgt zijn stem voor veelzijdigheid binnen de zich steeds herhalende maar subtiel veranderende en ontluikende melodieën. Daarbij moet aangemerkt worden dat Thorne niet alleen een goede zanger is vanwege zijn technische vermogen; juist omdat hij in al zijn zangcapriolen emotie kan aanbrengen is hij zo goed.

Over de Braziliaans/Oekraïense schrijfster Clarice Lispector zegt Fleming het volgende: “I’ve ever discovered. She was writing in the seventies and eighties, her thing is definitely to do with how the self is a prison to the world and how it’s not necessarily true what you’re reading.” Precies zo klinkt Smother. De muziek is zo strak en gecontroleerd dat het overkomt als een raamwerk of gevangenistralies, terwijl Thorne met zijn lenige stem de slangenmens is die eruit probeert te ontsnappen. Het is deze spanning die gedurende het hele album gevoeld wordt, als Thorne wanhopig zingt “I concur, I concur” of de Albatros de schuld geeft van zijn dwalen: “Albatross, albatross / Which way to turn when we’re lost’.

Over mensen zingt Thorne in ‘Loop the Loop’, een van de beste song op Smother, het volgende: “Oh don’t you think / That people are the strangest things / Design of desire / Means all that the heart requires / Is what it can’t sympathize.” In zijn ogen is de mens een wezen zoals Frankenstein; een vreemd creatuur dat nauwelijks valt lief te hebben. Tegelijkertijd is het een beschrijving van de band zelf. Ook zij zijn een vreemde eend in de bijt, een taste to acquire, een band die moeilijk is te waarderen. “The more I try to write a pop song the more it ends up being bizarre,” zegt Thorne. Gelukkig is dat geen vloek, maar een zegen.

Op het eerste gehoor leek Smother een hoogtepunt te missen, een bepaald nummer dat net wat beter was dan de rest, zoals ‘We Still Got the Taste On Our Tongues’ dat was op Two Dancers uit 2009. Inmiddels is duidelijk dat Smother zo’n nummer niet kent, omdat elke song op het album een uitschieter is. Van het beklemmende en agressieve ‘Lion’s Share’ tot de eindelijke hoop van ‘Burning’ (“I’m saved / You pull my fingers off the deck / You pluck me wriggling from the rain”) houdt Wild Beasts haar luisteraar geboeid met een spannend geluid vol tweestrijd, sterke songs met melodieën die je niet meefluit maar wel onder je huid gaan zitten en zonder twijfel een van de beste zangers van onze tijd. Het was geen overmoed om het afsluitende, zeven-minuten-durende nummer op Smother de naam ‘End Come to Soon’ mee te geven.

Okkervil River - I Am Very FarOkkervil River was voor mij altijd een groep waarvan ik benieuwd was hoe ze zouden zijn over een aantal jaar, als ze weer ouder waren. Aan de ene kant zitten hun songs vol met levenslust en passie, soms agressie, die ze misschien kwijt zouden kunnen raken, aan de andere kant kent hun muziek ook weemoed en pijn die door de jaren heen sterker kan worden. Dat Okkervil River vorig jaar samenwerkte met de 63-jarige rockveteraan Roky Erickson was een teken aan de wand – gedragen en beladen liedjes werden door Erickson hun werkelijke kracht ingeblazen. Nu moet de band het zelf proberen.

I Am Very Far, het zesde album van Okkervil River, opent met ‘The Valley’, een stevige rocker waarin zanger Will Sheff de longen uit zijn lijf schreeuwt. Maar het is niet de stem van een overtuigende frontman; Sheff schreeuwen klinkt als een wanhopige poging om de muziek meer urgentie mee te geven, om nog maar eens het belang van Sheff’s tekst te benadrukken. “We watch the sun switching in the sky, off and on / where our friend stands bleeding on the late summer lawn / a slicked back bloody black gunshot to the head / He has fallen in the valley of the rock and roll dead.” Die laatste regel doet denken dat het net zo goed over het verval van Okkervil River zelf kan gaan.

Ook de meeste andere nummers op I Am Very Far komen lomp over, in tegenstelling tot de geraffineerde indie oer-folk van hun vorige albums. Op Black Sheep Boy, The Stage Names en The Stand Ins was Sheff ook niet schuw om zijn stem in te zetten, maar dat stond altijd in functie van het liedje. Een andere manier waarop I Am Very Far op een irritante manier grootsheid tentoonspreidt is de toevoeging van orchestrale elementen in bijvoorbeeld ‘The Rise’. Het maakt het nummer niet groots, maar overvol. Het daadwerkelijke liedje verdrinkt hier in het arrangement. “I don’t want to be there / when it’s time to go down / or I don’t want to go down there / alone.”

De spaarse lichtpuntjes zijn dan ook niet de gedreven up-tempo nummers, maar de ballads ‘Hanging From a Hit’ en ‘Your Past Life As a Blast’. Hierin laat Okkervil River zien dat ze nog steeds een relevante groep kunnen zijn, die met emotie een publiek kan raken. Op de rest van I Am Very Far hoor ik dat helaas niet. Okkervil River klinkt als een folkband die doet alsof ze een rockgroep zijn, of als een oude man die doet alsof hij nog jeudig en jong is.