Danger Mouse, door het leven gaand als Brian Burton, heeft altijd al een voorliefde gehad voor films. Op Dark Night of the Soul werkte hij samen met regisseur David Lynch, maar zijn grootste inspiratiebron is Woody Allen: “Woody Allen was an auteur: he did his thing, and that particular thing was completely his own,” vertelde hij de New York Times. “That’s what I decided to do with music. I want to create a director’s role within music.” Hoe mooi al zijn andere projecten ook zijn, Rome is het eerste album waarop Brian Burton hierin slaagt. Rome is geen verzameling popsongs, maar een filmisch verhaal, met Danger Mouse meer dan ooit achter het roer.
Of het nou is omdat zijn compagnon in dit project, de componist Daniele Luppi, van Italiaanse komaf is, of omdat op Rome orkest en koor van de originele Morricone-soundtrack The Good, the Bad and the Ugly meespelen, Burton weet vervaarlijk dichtbij de typische spaghettiwestern-sfeer te komen. Als een ‘soundtrack zonder film’ ademt het geheel een tijdloze sfeer uit die onwillekeurig doet denken aan eindeloze, warme zomers en bruinige postkoetsen over stoffige wegen. Zorgeloos, zoals Norah Jones in ‘Problem Queen’ haar tekst terzijde schuift en overgaat in een deinend ‘la-la-la’. De romantische violen en gelukzalige koren tonen zich schoon maar medogenloos, alsof zij nog één keer in hun leven voor de laatste maal mogen spelen. Het is een bepaald soort noodzaak die doorklinkt in de muziek op Rome. Dat is niet verwonderlijk, want Burton en Luppi werken al sinds 2005 aan dit album en voor Danger Mouse is dit het album dat hij altijd al wilde maken.
Naast jazz-zangeres Norah Jones, die op Rome weliswaar een beetje op de achtergrond blijft, zingt ook White Stripes-zanger Jack White mee op drie liedjes van het album. Op ‘The Rose with the Broken Neck‘, het liedje dat klinkt alsof het er altijd al geweest is, dachten we eerst een vrouw te horen zingen – de naam PJ Harvey was al gevallen – toen bleek dat we toch echt White hoorden en ook op afsluiter ‘The World’ maakte verwarring zich van ons meester. Maar juist de androgyne zangstijl en productie maakt die liedjes zo spannend. Hiermee komt White lijnrecht tegenover Norah Jones te staan, die op Rome met haar rustige, lage stem lieflijk klinkt. Samen vormen ze de tegestelling van het album tussen geluk en droefenis, de mooiste en laatste dag met een zon die tegelijkertijd badend warm en dodelijk fel is. De verbeten manier waarop White echter zingt in ‘Two Against One’ maakt Rome niet enkel een zoete herinnering, maar één met een bittere nasmaak.
Naast drie tracks met Norah Jones en drie-en-een-halve song waar Jack White op zingt blijven er acht instrumentale liedjes (met koorzang, soms) over, waaronder twee Interludes. Ook in die liedjes horen we meer dan eens de talenten van zowel Daniele Luppi als Brian Burton. Aanstekelijke deuntjes worden afgewisseld met rustige wegdroommuziek, maar steeds ligt er spanning op de loer – het blijft immers een western-soundtrack. Dat alles is doordrenkt in de productie van Danger Mouse, wiens stijl bestaat uit een kraakhelder, lichtvoetig geluid, mede door trage drums die nooit zwaar op de voorgrond treden. De finishing touch wordt gevormd door subtiele gitaarloopjes en tinkelingen, zoals het speeldoosje in ‘Morning Fog (Interlude)’, dat als een doos van Pandorra de ene jeugdherinnering na de andere naar boven haalt. In Once Upon a Time in the West zou dit de scène zijn waarin de hoofdpersoon zijn broer wordt opgehangen en hijzelf wordt gedwongen de mondharmonica te bespelen. Net zoals die film geeft ook Rome mij kippenvel. Het zijn niet de geluidjes die Danger Mouse toevoegt, waarmee hij zich een groots muziekregisseur toont, maar zijn vermogen om daarmee emoties en herinneringen op te roepen.
Ondanks twee gastzangers, een orkest en de reünie van het Cantori Moderni-koor zorgt Danger Mouse er altijd voor dat de muziek niet uitbarst in goedkoop filmbombasme, en ook hierin toont hij zich een ervaren producer. In ‘Black’ weet hij stemmen en violen te beteugelen tot een eenvoudig liedje. Waar anderen steeds grootser en gevaarlijker zouden gaan werken (zoals onze andere western-artieste, Anna Calvi), durft Danger Mouse een stapje terug te nemen. Hiermee zorgt hij ervoor dat Rome niet een album is van de Morricone-muzikanten, noch van Jack White of Norah Jones. Zelfs niet van Daniele Luppi. Hij is de film-freak in wie Danger Mouse op het gebied van liefde voor cinematografie zijn gelijke heeft gevonden en zelfs Burtons vlam verder heeft aangewakkerd. Maar in termen van muzikale geestdrift en vaardigheid is hij geen gelijke. Rome is de uitgekomen jongensdroom van Brian Burton, de man die altijd achter de schermen is blijven wachten tot zijn moment zou komen.
De lijst van albums en projecten waar Danger Mouse achter de knoppen heeft meegewerkt begint steeds langer te worden. The Grey Album, zijn mash-up tussen The Beatles en Jay-Z, ‘Crazy’ van Gnarls Barkley (met Cee-Lo Green!), Beck’s Modern Guilt, Broken Bells met James Mercer, Dark Night of the Soul met Sparklehorse (en ook diens Dreamt For Light Years in the Belly of a Mountain), het tweede Gorillaz-album, Attack & Release en Brothers van The Black Keys en het komende album van U2 zijn de meest noemenswaardige van zijn projecten. Van al deze projecten is Rome het beste. Niet omdat zijn liedjes wederom van een beklemmend hoog niveau zijn, maar vanwege het feit dat dit project het eerste is waarop Danger Mouse niet achter de knoppen meespeelt, maar als een regisseur het project heeft geleidt. Rome is niet de ‘soundtrack zonder film’. Rome ís de film.
-- Caspar Jacobs, May 17, 2011
